TE

HARVARD UNIVERSITY

LIBRARY | OF THE

MUSEUM OF COMPARATIVE ZOOLOGY GIS

Bouglt

N February LI.

Lidi IR IE | gE

etek

EN de

ce

Ba >

=A

A

seme

wur, 4 #1 oe ee Men Nn

M

|

NE

_ TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE-—

UITGEGEVEN DOOR RLS a

DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING

ONDER REDACTIE VAN

Mr. W. ALBARDA Mr. S. G. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN EN

F. M. VAN DER WULP

Vondel Fag

ZEVENTIENDE DEEL | |. | Val

| SS GRAVENHAGE 4 MARTINUS NIJHOFF 1874.

5/5]

Kae FEB 6 1943"

PT ae L ee ww EG is \ AN ate SEEN

Laman

INHOUD

VAN HET

ZEVENTIENDE DEEL.

Verslag van de 28“ Zomervergadering . Lijst der Leden . :

» » bijgekomen boeken. Verslag van de Wintervergadering

P. C. T. SneLLEN, Opgave der Geometrina en Pyralidina in Nieuw-Granada enz., verzameld door W. Baron von NOLCKEN er Patni at en

F.M. van per Wurp, iele aanteekeningen n°. 4.

Dr. H. WevensBeren, Varia entomologica . :

F.J. M. HeyLAERTS, fils, Les Macrolépidoptères de Breda et de ses environs. Fin supplémentaire, n°. 4 .

C. Ritsema, Cz., Aanteekeningen betreffende Hymeno- ptera van he Guinea DIE È

F.J. M. HryLAERTS, Jr., Grapholitha ui nov. sp.

J. van LEEUWEN, Jr., Over de haren der rupsen van BASE DMAE

Prof. Dr. H. Wevensercn, Mamillo Curtisea Weyenb.

De GRAAF en SNELLEN, nieuw voor de fauna van Nederland

H. ALBARDA, Deux nouvelles espèces de Trichopteres

d’Europe.

Bladz. I.

XXVII.

- XXXIII.

LXIII.

VAER BEEN LN TR

hake HERE

CE Wea / >

TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE, NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING

Dr. S. €. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN Da. A. W. M. VAN HASSELT | EN

F. M. VAN DER WULP ZEVENTIENDE DEEL

Jaargang 1873-74

2 2. Allevering

8 GRAVENHAGE | MARTINUS NIJHOFF 1908-14:

VERSLAG:

ACHT -EN-TWINTIGSTE ZOMERVERGADERING

NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING, GEHOUDEN TE BREDA

den 7 Junij 1873.

Voorzitter : Mr. W. Albarda.

Met den Voorzitter zijn tegenwoordig de heeren Mr. J. Herman Albarda, Gordon, Heylaerts, Baron Lewe van Middelstum, Lodeesen, Maitland, C. Ritsema Cz., Dr. van Rossum, P. C. T. Snellen, Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, Mr. Snellen van Vollenhoven en van der Wulp. |

De heeren Dr. van Hasselt, M. M. Schepman, Ivangh Schepman, Ritzema Bos, Brants en Erbrink hebben schriftelijk medege- deeld, dat zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen.

De Voorzitter opent de vergadering en heet de tegenwoordig zijnde leden welkom. Hij vraagt of iemand der leden ook eenige bedenking wenscht in ’t midden te brengen ten aanzien van de notulen der beide vorige vergaderingen (die van 15 Junij 1872 te Haarlem en die van 28 December 1872 te Leiden), zoo als deze gedrukt aan de leden zijn rondgezonden en opge- nomen zijn in deel VIII (2de serie) van het Tijdschrift. Wijl niemand daarover het woord verlangt, worden die notulen alzoo geacht bij deze te zijn goedgekeurd.

li VERSLAG. De Voorzitter brengt het volgende jaarverslag uit : „Mijne heeren!

„Art. 17 onzer wet legt mij den pligt op jaarlijks in de zomervergadering verslag uit te brengen over den toestand der Vereeniging. Mij van die verpligting kwijtende, heb ik de eer dit te doen over hetgeen is geschied sedert onze laatste zomer- bijeenkomst te Haarlem.

„Ik open de rij mijner mededeelingen, helaas! weder met de vermelding van verliezen, die onze Vereeniging geleden heeft. Op 21 October 1872 ontviel ons in den ouderdom van 82 jaren de Nestor onzer Vereeniging en een harer oprigters, de heer J. Backer Sr. te Oosterbeek. Diegenen onder U, die hem persoonlijk gekend hebben, zullen het mij nazeggen, dat hij, hoe oud in jaren, nog steeds met jeugdigen ijver voor de beoefening onzer lievelingsstudie bezield was. Hij was een der- genen, die zich aan de spits stelden, toen voor eenige jaren proeven werden genomen, om de aankweeking der zijderups Yama-Maju hier te lande mogelijk te maken, en hij heeft zich bovendien in vele opzigten jegens onze Vereeniging verdienstelijk gemaakt. Wij betreuren zeer zijn afsterven, en hoewel hij sints eenige jaren onze vergaderingen niet meer kon bijwonen, meen ik te mogen zeggen, dat hij nog lang bij ons niet zal worden vergeten.

» Eenige dagen later, op 25 October 1872, stierf ons ge- acht corresponderend lid Professor Wesmael te Brussel. Con- stantijn Wesmael was te Brussel geboren den 4 October 1798. Hij was leeraar (professeur) eerst aan het lyceum te Charleroi, later aan het athenaeum te Brussel en aan ’s Rijks veeartsenij- school aldaar, president van de commissie van bestuur over ’s Rijks Museum van natuurlijke historie, lid van de konink- lijke academie van wetenschappen in België en voorzitter van de Belgische Entomologische Vereeniging. Hij heeft zich jegens de Entomologie zeer verdienstelijk gemaakt door tal van op- stellen, meest in de Annalen der Belgische academie van wetenschappen opgenomen en over alle orden van insecten

VEN RAT stp A a! ut

loopende. Zijne voornaamste studie had echter betrekking op de Hymenoptera en hierover schreef hij, behalve eene menigte kleinere, twee zeer belangrijke werken, namelijk: Tentamen dispositions methodicae Ichneumonum Belgiae en Monographie des Braconides de la Belgique. Wesmael was corresponderend lid onzer Vereeniging sedert 1853.

„Behalve door den dood, verloor onze Vereeniging nog twee leden. De heeren R. Sinia, leeraar aan de hoogere burgerschool te Enkhuizen, en Dr. M. Salverda, inspecteur van het middelbaar onderwijs, hebben voor hun lidmaatschap bedankt; de eerste geeft als reden daarvoor aan, dat hij tot zijn leedwezen nimmer onze vergaderingen kan bijwonen, doch wenscht, wanneer hij eene minder afgelegen standplaats zal hebben bekomen, weder lid te worden. Daartegenover staat dat de heer W. J. Boogaard, die in den vorigen zomer zijn lidmaatschap had opgezegd, van dat besluit is teruggekomen, en dat wij ons mogen verheugen in de toetreding van twee nieuwe leden, de heeren Dr. A. J. van Rossum, leeraar aan de hoogere burgerschool te Enschedé, en A. Schmier de Poorter, zoodat de geleden verliezen zijn hersteld.

„Professor Thorell te Upsala in Zweden, op de vorige zomervergadering door U tot Eerelid onzer Vereeniging be- noemd, heeft die onderscheiding met erkentelijkheid aangenomen.

„Ik acht mij verpligt hier te vermelden, dat het Bestuur onzer Vereeniging eene uitnoodiging heeft ontvangen om deel te nemen aan eene feestviering op 2 April jl., ter gelegenheid dat de heer G. ridder von Frauenfeld gedurende meer dan 20 jaren als eerste Secretaris van het K. K. Zoologisch-Botanisch Verein te Weenen is werkzaam geweest. Gelijk U bekend zal zijn, is de heer von Frauenfeld niet alleen een zeer ijverig Secre- taris dier met roem bekende wetenschappelijke inrigting, maar tevens een uitstekend entomoloog, terwijl daarenboven onze leden, die Weenen hebben bezocht, eenparig zijne heuschheid roemen. Wij hadden dus gaarne aan de gedane uitnoodiging gevolg gegeven, doch zij is tot ons leedwezen zoo laat in onze handen gekomen, dat daartoe de mogelijkheid niet meer bestond,

IV VERSLAG.

si Het zij mij vergund U hier nog in herinnering te brengen, dat het Bestuur onzer Vereeniging in het afgeloopen jaar eene belangrijke wijziging heeft ondergaan. in de buitengewone vergadering, te Leiden den 28” December 1872 gehouden, is onze waardige leidsman, Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, die jaren lang onze Vereeniging met vaste hand heeft bestuurd, als Voorzitter afgetreden en ik ben door Ulieden in zijne plaats benoemd. Het Bestuur erkent met dankbaarheid de vele diensten, door den heer Snellen van Vollenhoven in zijne hoe- danigheid van Voorzitter aan onze Vereeniging bewezen, en het troost zich over zijn gemis alleen daardoor, dat hij althans als Conservator zijne plaats in het Bestuur bleef behouden, nadat door U van de bevoegdheid, in art. 13 der wet ver- leend, is gebruik gemaakt om een zesde lid van het Bestuur te benoemen.

„Met het buitenland staat onze Vereeniging op den besten voet. Voortdurend worden nog door het Bestuur nieuwe be- trekkingen aangeknoopt en van ons Tijdschrift worden niet minder dan 35 exemplaren aan buitenlandsche zustervereeni- gingen en geleerden, in ruil van hunne werken, verstrekt. Het centraal-bureau voor wetenschappelijke verzendingen, onder het beheer van Professor E. H. von Baumhauer, blijft ons daarbij goede diensten bewijzen.

» Het 8ste deel der 2de serie van het Tijdschrift zal weldra voltooid zijn. Van de platen aan het Yde deel ontbrekende, zijn de laatsten nog in bewerking wat het kleuren betreft; doch het laat zich aanzien dat zij bij de eerstvolgende aflevering van het 8ste deel kunnen gevoegd worden.

„De insectenverzameling onzer Vereeniging heeft in het afgeloopen maatschappelijk jaar vrij groote verbeteringen onder- gaan ten gevolge van de welwillende toezendingen van vele inlandsehe voorwerpen door de heeren Snellen, J. H. Albarda, Ritsema, Heylaerts, Everts, Piaget, Leesberg, de Man en anderen, wien daarvoor groote dank wordt toegebragt. Vol- ledige lijsten over te leggen van het ingekomene is door toe- vallige omstandigheden zeer moeijelijk geworden en kan ook,

VERSLAG. VI

bij de veelvuldige inzendingen, niet wel van den Conservator worden gevergd, ofschoon niet kan worden ontkend, dat zoo- danige opgave voor de toekomst zeer wenschelijk zou zijn en dan ook zoo mogelijk op de volgende zomervergadering zal worden gedaan.

Is nu de collectie in aantal soorten en voorwerpen vooruit- gegaan, zij heeft niet gewonnen wat den toestand van zeer . vele kleinere insecten betreft; integendeel zij is door vochtig- heid en schimmel achterwitgegaan. Inderdaad het is zeer te be- jammeren, dat de plaatsing der verzameling op ’s Rijks Museum niet geheel aan de verwachting voldoet. Wel is de collectie aldaar gevrijwaard tegen grove beschadigingen, en staat er onder het bereik en onmiddellijk opzigt van den persoon, aan- gesteld om haar behoorlijk te verzorgen, doch het verlies dat zij aan kleine en tedere voorwerpen lijdt door toetreding van vochtigen luchtstroom is niet gering te schatten; waarom het van dringend belang moet worden geacht maatregelen te be- ramen, ten einde de algeheele bewaring der verzameling voor de toekomst te verzekeren.

„Sedert het laatste verslag is er ten opzigte der bibliotheken veel geschied. De catalogi, zoowel van de bibliotheek Har- togh Heys van de Lier als van die der Vereeniging zijn afge- drukt en in uwe handen. De Bibliothecaris heeft zich door dit werk jegens ons bijzonder verdienstelijk gemaakt. Het was niet wel mogelijk, om in de catalogi den korten inhoud der ver- schillende tijdschriften op te nemen; daar evenwel voor het gebruik der bibliotheek dit een zeer gewenschte maatregel is, zal de Bibliothecaris jaarlijks voortaan eene lijst van den entomo- logischen inhoud der ingekomen vervolgen van de tijdschriften opmaken, die met het verslag zal worden gedrukt en rondge- zonden. Wij hopen door dezen maatregel aan velen genoegen te doen en een grond voor klagten weg te nemen.

„Zoo als zal blijken uit de lijsten der bijgekomen boeken na het opmaken der catalogi, zijn de beide bibliotheken dit jaar weder belangrijk in omvang toegenomen, zoodat nu niet alleen door vocht, maar ook door gebrek aan ruimte, het lokaal

VI VERSLAG.

waarin dusverre de boeken zijn geplaatst, daarvoor minder ge- schikt moet worden geacht. Ik heb mij persoonlijk overtuigd, dat de deswege reeds vroeger door den Bibliothecaris geopperde © grieven ten volle gegrond zijn, en gij hebt onder de punten van behandeling voor deze vergadering kunnen opmerken, dat het Bestuur er met ernst op bedacht is om aan dezen toestand een einde te maken.

„De vermeerdering onzer bibliotheken ontstaat vooreerst uit de werken in ruil tegen ons Tijdschrift verkregen, en in de tweede plaats door aankoop onder anderen van dat gedeelte van de reis der Novara, waarin de insecten behandeld worden (Co- leoptera, Hymenoptera, Hemiptera, Neuroptera en Diptera), de Lepidoptera zijn ons door den bewerker, ons Eerelid Dr. Felder te Weenen toegezegd; voorts het eerste deel der Observa- tions de zoologie et d'anatomie comparée van de reis van Hum- boldt en Bonpland, waarin de insecten door Latreille beschreven zijn. Verder heeft de Vereeniging ingeteekend op een pracht- werk van Prof. Westwood, getiteld: Thesaurus entomologicus or Illustrations of new, rare and interesting Insects, waarvan vol- gens het prospectus de eerste aflevering vóór 1 Juli} e. k. zal verschijnen.

„Geschenken ontvingen wij van de Koninklijke universiteit van Noorwegen en van de heeren G. L. Mayr, A. Quetelet, H. T. Stainton en H. D. J. Wallengrèn; terwijl de heer Snel- len van Vollenhoven onze bibliotheek onder anderen verrijkte met een groot gedeelte van Panzer's Faunae insectorum Germa- nice intia en Küster's Kaefer Europa’s.

„In het binden der boeken is geregeld voorzien, en de tijd- schriften in ruil tegen het onze komen regelmatig in, met uit- zondering van dat der Russische Vereeniging, hetwelk zich nog steeds laat wachten.

„En nu, mijne Heeren, ben ik genaderd tot een voor onze Vereeniging zeker niet onbelangrijk punt, den toestand onzer financiën. Dank zij de goede zorg van onzen naauwkeurigen en ijverigen Penningmeester, sluit de rekening der algemeene kas, die met een batig saldo van /506.025 het jaar begon (met

VERSLAG. VII

inbegrip van het restant-legaat van wijlen van Eyndhoven), thans met een batig slot van f 602.24 en een pandbrief groot f100 à 4 percent Nat. Hypotheekbank. Het ondersteuningsfonds voor de uitgave van het Tijdschrift bestaat thans, behalve uit een saldo in kas van / 61.285, uit een pandbrief groot f 500 en een groot f 100, beiden à 5 percent Nat. Hypotheekbank. De kas van de bibliotheek Hartogh Heys van de Lier, die met de meeste naauwgezetheid door onze hooggeachte Donatrice wordt gevoed, sluit met een batig saldo van f 310.68.

„De verslagen der beide wetenschappelijke vergaderingen en de inhoud van het Tijdschrift hebben ook diegenen uwer, die verhinderd zijn geweest aan de werkzaamheden deel te nemen, de overtuiging kunnen schenken, dat onze Vereeniging in het afgeloopen jaar niet onvruchtbaar heeft gearbeid, en ik meen hieruit het gevolg te mogen trekken, dat zoowel wat hare huis- houding aangaat als op het standpunt van haren werkkring, onze Vereeniging vooruitgaat. Het is voor het eerst, mijne Heeren, dat ik in Uwe vergadering een verslag uitbreng, steun mij in mijne pogingen, om in volgende jaren naar waarheid van verderen vooruitgang te mogen spreken.”

Nadat het bovenstaande jaarverslag is voorgelezen, stelt de Voorzitter voor, om alsnog aan den heer G. ridder von Frauen- feld te Weenen een schrijven te rigten, waarin het leedwezen der Entomologische Vereeniging wordt uitgedrukt, dat zij niet in de gelegenheid is geweest, om van hare deelneming in de feestviering op 2 April jl. te duen blijken. Dat voorstel wordt bij acclamatie aangenomen.

De Penningmeester brengt zijne rekening en verantwoording over het jaar 1872/73 ter tafel, en de Voorzitter noodigt de heeren Mr. J. Herman Albarda en Baron Lewe van Middelstum uit, om die rekening op te nemen. Deze verklaren zich daartoe bereid en houden zich onmiddellijk met hunne taak bezig.

Evenzeer wordt door den Penningmeester, ingevolge het 2de lid van art. 27 der wet, ingediend de volgende schets eener begrooting voor het jaar 1873/74.

VIN VERSLAG,

Inkomsten:

Contributiën van begunstigers . . . . . . . . f 295.— i si gle deni. sic polo . +. « - 460.—

Verkoop van exemplaren van het Tijdschrift, deel WII (2densenie) ey acy eee za Peele i EE OR Rentensranspandbriefsen kassen 2 Annen e nd f 1000.—

Uitgaven :

Onkosten der zomervergadering. . . . . . . . f 25— . Söwinterveraaderne » .... ace ay ee 00; Conserveren der collectie. . . . .. 02... ......29 Onkosten 5 Mie Diverse kleine onkosten, porto’s enz. . . : - T5.—

Aandeel in de kosten van het wetenschappelijk centr a beun Gin 6 2090.

Rekening ei à van het Tijdschrift, oc a van boeken GUZEL Inbinden van hoeken 2 va. 0. 00.0.0 200020020 hapa rn Occ Omyoorziene ulisayen N f 1000.—

Het voorstel van het Bestuur, om Dr. C. A. Dohrn, President der Entomologische Vereeniging te Stettin, tot Eerelid te be- noemen, wordt met algemeene stemmen aangenomen. Aan den Secretaris wordt opgedragen den benoemde hiervan kennis te geven.

De Voorzitter stelt alsnu aan de orde, maatregelen te be- ramen tot het verkrijgen van eene betere plaatsing voor de bibliotheek en de collectie. Hij herinnert, dat de bibliotheek der Vereeniging zoowel als die van wijlen den heer Hartogh Heys van de Lier zich bevinden in een lokaal te Leiden, door de welwillendheid van den heer J. Kneppelhout aan de Ver- eeniging ten gebruike afgestaan. Daaraan is intusschen het bezwaar verbonden, dat er niet gestookt kan worden, hetgeen voor hen die de bibliotheek bezoeken en niet het minst voor den bibliothecaris, die er bijna dagelijks te arbeiden heeft,

VERSLAG. IX

des winters een groot ongerief veroorzaakt, en wat erger is, de boeken, bij vochtig weder, door schimmel enz. doet lijden; maar bovendien, bij het aantal boeken, die er jaarlijks aan worden toegevoegd, zal weldra het vertrek te klein worden, zoodat de Vereeniging, ware ’t ook alleen om die reden, nood- wendig naar eene andere en ruimere gelegenheid zal moeten omzien.

Wat de collectie van inlandsche insecten betreft, ook deze heeft, gelijk reeds in het verslag van den Voorzitter werd opgemerkt, van vochtigheid te lijden, een gevolg van hare plaatsing in een lokaal van ’s Rijks Museum, waarin niet ge- stookt kan worden. Het zou daarom zeer wenschelijk zijn, indien zij mede naar elders kon worden overgebragt.

Het Bestuur zou het meest doelmatig achten, indien voor rekening der Vereeniging een geschikt lokaal kon worden gehuurd, dat bibliotheek en collectie beiden kon bevatten en behoorlijk van eene stookplaats is voorzien. Het laat zich echter verwachten, dat niet voor 1 Mei des volgenden jaars aan deze plannen eenig gevolg kan worden gegeven, en daar de zaak, wegens de vochtigheid der thans gebruikte lokalen, dringt, stelt het Bestuur voor, om, zij het ook alleen voor den eerstvolgenden winter, in het lokaal der bibliotheek den aldaar bestaanden schoorsteen op te trekken, een kagchel aan te schaffen en daarin te stoken, waartoe de heer Kneppelhout, als eigenaar van het gebouw, bereids vroeger vergunning heeft gegeven; terwijl voor de collectie (door gunstige beschikking van den Directeur des Museums, Prof. Schlegel) tijdelijk eene plaats zal worden ingeruimd (op de insectengalerij van het Museum), alwaar des winters gestookt wordt.

De Voorzitter wenscht het gevoelen der Vergadering te ver- nemen omtrent de bovengemelde plannen. Nadat deswege uit- voerige beraadslagingen hebben plaats gehad, waarbij de heer Heylaerts het gebruik van Acidum phenicum aanprijst als een afdoend middel tegen vocht en schimmel '), wordt aan het

1) Zie hetgeen de heer Heylaarts deswege nog heeft vermeld, onder de weten- schappelijke mededeelingen , hierna.

x VERSLAG.

Bestuur de verlangde magtiging verleend, om tegen 1 Mei des volgenden jaars een lokaal te huren, ten einde daarin zoowel de bibliotheek als de collectie over te brengen; om voorts de noodige maatregelen te nemen, dat daarin des winters kan worden gestookt; en eindelijk om al dadelijk in het bezwaar der vochtigheid op de bovenomschreven wijze voorloopig te voorzien.

Wordt overgegaan tot de definitieve benoeming van een zesde lid in het Bestuur, en wordt daartoe met algemeene stemmen op een na gekozen Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, die verklaart zich die benoeming te laten welgevallen, en daar het Bestuur hem op nieuw de betrekking van Conservator op- draagt gaarne te blijven voortgaan met de zorg over de “inseetenverzameling op zich te nemen. De Voorzitter maakt zich tot tolk der Vergadering, door te zeggen dat de Vereeni- ging zich gelukkig mag rekenen met dezen uitslag, waardoor de heer Snellen van Vollenhoven bij voortduring in het Bestuur zitting blijft houden. De heer Snellen van Vollenhoven voegt evenwel hierbij de opmerking, dat, nu hij niet meer te Leiden is gevestigd, de waarneming van zijne betrekking als Conser- vator voor de Vereeniging eenige geringe kosten zal na zich slepen, wegens de reizen naar Leiden, waartoe hij zich van tijd tot tijd verpligt zal zien. Hij neemt tevens deze gelegenheid te baat, om aan allen, die voorwerpen voor de collectie inzen- den, te verzoeken deze niet alleen behoorlijk gedetermineerd te zenden, maar ook ieder van een etiquet voorzien, waarop plaats en tijd, alsmede de naam van den vinder vermeld staan.

Aan de orde wordt gesteld de benoeming van twee leden, die met den Voorzitter de redactie van het Tijdschrift zullen uitmaken, waarioe door het Bestuur de beide volgende dubbel- tallen worden voorgedragen:

Eerste dubbeltal: de heeren Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven en

E07 oe Snellen: Tweede nn. De NW. van” Hasseltzen F. M. van der Wulp.

VERSLAG. XI

Bij de opening der stembriefjes blijkt, dat op den heer Snellen van Vollenhoven 12, op den heer van der Wulp 8, op Dr. van Hasselt 5 en op den heer Snellen 1 stem zijn uit- gebragt, zoodat de heeren Snellen van Vollenhoven en van der Wulp zijn gekozen. Beiden verklaren zich bereid om de hun opgedragen taak te vervullen. De Voorzitter zegt, dat, nu hij uit den aard zijner betrekking gehouden is deel te nemen aan de redactie van het Tijdschrift, het voor hem dubbel aangenaam is, dat de heer Snellen van Vollenhoven, die zoo geruimen tijd als President der Vereeniging aan het hoofd der redactie heeft gestaan, ook nu wil blijven voortgaan daaraan zijne krachten te wijden. Hij verzoekt hem dan ook, om, indien daartegen van zijn kant geene bedenkingen zijn, op den thans bestaanden voet het meest werkzame aandeel in de redactie te blijven nemen, zoodanig dat de opstellen, die ter plaatsing wor- den aangeboden, aan hem worden toegezonden, en de regeling der plaatsing van de op te nemen stukken alsmede de correctie hoofdzakelijk aan hem worden overgelaten. De heer Snellen van Vollenhoven neemt hierin genoegen, doch acht het wenschelijk bij deze gelegenheid op nieuw in herinnering te brengen eene circulaire, die voor weinige jaren is rondgezonden en waarin onderscheidene punten worden aangegeven, door de schrijvers en inzenders van stukken voor het Tijdschrift in acht te nemen ‘).

Bij meerderheid van stemmen wordt Arnhem aangewezen als de plaats, waar de volgende zomervergadering zal worden gehouden.

Overgaande tot de keuze van een Voorzitter voor die verga- dering, blijkt het dat zich 8 stemmen vereenigen op Dr. M. C. Ver Loren van Themaat en 3 op den heer Lodeesen, terwijl Mr. H. Ver Loren van Themaat en Baron Lewe van Middelstum ieder ééne stem erlangen. De heer M. C. Ver Loren, alzoo ge- kozen zijnde, verklaart zich bereid deze taak op zich te nemen.

De Commissie voor de opneming der rekening en verantwoor- ding haren arbeid voleindigd hebbende, brengt, bij monde van

1) Deze circulaire is andermaal opgenomen aan het slot van deel VIII (2de serie) van het Tijdschrift voor Entomologie.

XII VERSLAG

Mr. J. H. Albarda, verslag uit. Zij heeft de rekening met de daarbij behoorende bewijsstukken in volkomen orde bevonden en geeft der Vergadering in overweging die goed te keuren. De Vergadering vereenigt zich hiermede en de Voorzitter zegt den Penningmeester dank voor zijn naauwkeurig en ordelijk beheer, zoomede de Commissie voor het volbrengen van haren arbeid.

De huishoudelijke werkzaamheden hiermede afgeloopen zijnde, neemt de Voorzitter nogmaals het woord en herinnert hoe reeds op de laatste wintervergadering kortelijk is besproken, welke groote verpligting de Vereeniging heeft aan Mr S. C. Snellen van Vollenhoven, die gedurende 20 achtereenvolgende jaren als President haar heeft geleid en zooveel heeft toege- bragt om haar het eervolle standpunt te doen innemen, waar- op zij zich thans beweegt. De Voorzitter komt nogmaals met eenige kernachtige woorden hierop terug en zegt dat alle leden zonder onderscheid doordrongen zijn van een gevoel van erkentelijkheid jegens den man, die zoo langen tijd met even grooten ijver als beleid het zuiver wetenschappelijk streven en den bloei onzer Vereeniging heeft bevorderd. Om die erken- telijkheid niet alleen in woorden te doen bestaan, hebben sommigen hunner het plan gevormd om hunnen afgetreden Voorzitter een blijk van waardeering zijner verdiensten aan te bieden. Door ruime medewerking van den kant der leden en begunstigers is dat voornemen thans tot uitvoering gekomen en is een gedenkpenning ter eere van den heer Snellen van Vollenhoven geslagen, waarvan hem bij deze een zilveren en een bronzen exemplaar worden overhandigd !).

1) De medaille ter grootte van 6 em. middellijn, stelt aan de eene zijde het borstbeeld voor van den heer Snellen van Vollenhoven en bevat aau de keerzijde in eenen bladerkrans het volgende opschrift:

PER. XXII. ANN. SODALIS PER. XX. PRAESES COLLEGII. STUDIA. EXEMPLO PRAEIVIT. AUCTORITATE. REXIT INGENiO. ORNAVIT. NOMINE EXTERIS. COMMENDAVIT VII. JUNIL MDCCCLXXIII.

V ERSLAG. XIII

De heer Snellen van Vollenhoven, blijkbaar verrast door deze demonstratie, betuigt in gevoelvolle taal zijn dank voor het ontvangen bewijs van hulde; hij zegt dat de band, die hem steeds aan de Entomologische Vereeniging heeft verbonden, zoo 'tkon, door dit blijk van achting en toegenegenheid nog hechter is geworden: hij verzoekt de tegenwoordig zijnde leden deze zijne gevoelens ook aan de afwezigen over te brengen, en zoo er iets hem zeer ter harte gaat, dan is het voorzeker dit, dat de Nederlandsche Entomologische Vereeniging moge voortgaan op den ingeslagen weg en al verder en verder moge streven naar wetenschappelijke volmaking.

Dat al de aanwezigen hartelijk deel namen in deze eenvou-

dige, maar niettemin treffende plegtigheid en zulks met een vriendschappelijken handdruk aan hun vroegeren President be-

vestigden, behoeft naauwelijks te worden gezegd.

De Voorzitter meent, dat de waarde van het geschonken _huldebliijk zal verhoogd worden, wanneer van de medaille nog enkele exemplaren in brons wierden vervaardigd en aan de buitenlandsche Entomologische genootschappen, waarmede onze Vereeniging in betrekking staat, alsmede aan het Koninklijk Penningkabinet te ’s Gravenhage wierden gezonden. Bij accla- matie wordt daartoe besloten en tevens bepaald dat de daaraan verbonden onkosten uit de kas der Vereeniging zullen worden gekweten.

Na eene korte tusschenpozing wordt overgegaan tot het doen van wetenschappelijke mededeelingen.

De heer Snellen van Vollenhoven berigt, dat de laatste (14°) tabel van zijne „Schetsen ten gebruike bij de studie der Hymenoptera” in steen is gegraveerd en dus wel

Om den krans heen staat:

VIRO. DOCTISSIMO. S. C. SNELLEN. VAN. VOLLENHOVEN. 5. U. D. COLL ENTOMOLOG. NEERLAND. HUNC. NUM. FAC. CUR.

De medaille is vervaardigd door de bekwame hand van den heer J. Ph. van der Kellen, graveur aan ’s Rijks munt te Utrecht.

XIV VERS L À 6.

spoedig zal worden afgedrukt, waarna de familie der Procto- trupiden het licht zal zien in drie platen, waarbij tevens de laatste plaat der Pteromalinen zal worden uitgegeven. Hij ver- meldt daarbij de moeite die het hem gekost heeft om een exemplaar van de uiterst zeldzame soort Dryinus formicarius Latr. in handen te krijgen; er zijn slechts drie voorwerpen van deze soort tot dusver bekend geworden, het eerste dat van Latreille, een tweede in Engeland, waarschijnlijk in het Mu- seum van Hope te Oxford, en het derde bij Prof. Förster te Aken. Dit laatste heeft Spr. voor een korten tijd op beziens of liever ter afteekening gehad, waarvoor hij niet alleen Prof. F., maar ook ons medelid Dr. Hartogh Heys van Zouteveen dank moet weten, want aan diens bemiddeling is het eindelijk gelukt dit zeldzame dier naar Holland over te brengen. Spr. had eerst voor de tabel eene vergroote copie vervaardigd van de afbeelding in Latreille’s Genera, doch hoe slecht gelijkend. die was, zouden de leden kunnen zien bij vergelijking daarvan met de teekening naar de natuur vervaardigd. Deze laatste wordt daarop aan de leden vertoond en tevens daarbij de copie eener afbeelding van Dryinus Tarraconensis Marsh. , eene nieuwe soort uit Spanje afkomstig, door den weleerwaarden heer T. A. Marshall in het Entomological Monthly Magazine voor een of twee jaren beschreven en waarvan de diagnose luidt: D. niger, segmento /°, ore, antennarum articulis 2 basalibus , totidemque apicalibus rufis, alis fusco bifasciatis, terwijl uit de afbeelding en beschrijving blijkt dat de vleugels slechts zeer kort waren en de spits van het achterlijf in lange niet bereikten.

Spr. toont vervolgens de plaats aan, welke deze beide soor- ten in het systeem moeten innemen; hij wijst op de kenmerken die de Proctotrupiden van de Pteromalinen afzonderen, vervol- gens op het eigenaardige kenmerk van de groep der Dryinoïden en geeft eindelijk de nieuwste indeeling dezer groep in genera aan, waarbij hij voornamelijk ook uitwijdt over de zonderlinge vangtarsen bij de wijfjes en de vraag of de bewegelijke klauw dier tarsen wel met regt eene klauw mogt genoemd wor- den. I

VERSLAG, XV

Ten tweede deelt de heer van Vollenhoven de zonderlinge ontwikkeling mede van eene bladwesplarve, die den winter in de holte van een afgebroken rietstengel doorbrengt. In de tweede , of derde maand van dit jaar met den heer Ritsema wandelende langs den Morschweg bij Leiden, hadden zij op zekere plek aldaar rietstengels afgebroken en den inhoud daarvan onder- zocht; in eenigen vonden zij larven van bladwespen, die er uitzagen of zij eenigszins korter en dikker waren geworden dan toen zij nog voedsel nuttigden, en waarvan de soortsnaam toen niet te bepalen was. Spr. had de door hem gevonden larven weder weggeworpen, in de meening dat zij verdroogen zouden en geene wespen leveren; doch de heer Ritsema had een voorwerp bewaard, liggende in een rietstengel, en had het genoegen gehad daaruit eene wesp te zien te voorschijn ko- men, welke aan Spr. was ter hand gesteld en die ongetwijfeld, gelijk ook de heer R. reeds had opgemerkt, een mannetje was van Tenihredo agilis Klug. Het zonderlinge der ontwikkeling bestond nu hierin, dat de larve niet op de gewone wijze in pop was veranderd, maar hare larvenhuid had behouden, zoo- dat de wesp door eene spleet over den kop en de 3 voorste ringen der larvenhuid naar buiten was gekropen. Binnen in die larvenhuid, welke niet in elkander was gefrommeld, doch min of meer pergamentachtig was blijven uitstaan, had het naauwkeurigste onderzoek geen spoor van eenig poppenhuidje aangewezen, zoodat het nog een raadsel bleef waar dit heen- gekomen was. Dat de pop in de larvenhuid had gezeten, was zonder bezwaar aan te nemen, doch dat de wesp hare poppen- huid daaruit getrokken en opgegeten zou hebben scheen min- der gemakkelijk aan te nemen. In allen gevalle dient de waarneming te worden herhaald en wel, zoo mogelijk, op tamelijk groote schaal. Daartoe is Spr. zelf bereid en roept hij de hulp in der aanwezige leden, wien hij verzoekt hem in den volgen- den winter larven in rietstengels te doen toekomen.

De heer Mr. J. Herman Albarda vestiet de aandacht der leden op Psectra diptera Burm., een zeer zeldzaam en

XVI VAR RSA GE

tevens hoogst merkwaardig, ook tot onze Nederlandsche Fauna behoorend Neuropteron.

Burmeister heeft in 1839 dit insect voor het eerst beschreven, onder den naam van Hemerobius dipterus (Hdb. II. p. 973) en wel naar een enkel exemplaar, door Prof. Schwägrichen bij Leipzig gevangen; terwijl hij nog melding maakt van een tweede, het- welk Prof. Künze had gevangen, doch dat in diens verzameling was te gronde gegaan. Hij geeft op, dat het diertje in de bovenvleugels vier dwarsadertjes tusschen de subcosta en den radius heeft, dat beiden daarenboven aan hunne uiteinden door eene korte dwarsader zijn verbonden, dat uit den radius drie sectoren ontspringen en dat de zeer kleine, rudimentaire, ronde ondervleugeltjes ook aderen vertoonen. Over de sexe van het door hem beschreven diertje laat hij zich niet uit.

Dr. Hagen vermeldt in 1858 (Stett. Ent. Zeit. XIX, p. 130) hetzelfde dier, onder den naam van Micromus dipterus Burm., als in Rusland voorkomende, en voegt daarbij de woorden: „Overigens heeft het mannetje alleen onontwikkelde ondervleu- , gels.” Men moet dus aannemen, dat die schrijver een of meer individuen met ontwikkelde ondervleugels heeft gezien, en die voor wijfjes heeft gehouden, hoewel hij daarvan nergens eene beschrijving heeft gegeven.

MacLachlan berigtte in 1866 (Ent. Monthl. Mag. II, p. 269), dat in 1843, door den bekenden entomoloog Dale ook een exemplaar van dit insect bij Langport in Somersetshire was gevangen. Hij zegt daarvan, dat het met den eersten oogop- slag kan worden herkend, doordien de ondervleugels bijna ge- heel ontbreken en slechts uit twee zeer kleine lobben bestaan. Ook hij vermeldt niet van welke sexe dat exemplaar is.

In datzelfde jaar verscheen de Hemerobidarum Synopsis syno- nymica van Dr. Hagen (Stett. Ent. Zeit. v. 1866 p. 376), waarin de schrijver dit diertje van het geslacht Hemerobius af- scheidt en daarvoor een afzonderlijk geslacht Psectra vormt, op grond dat in de bovenvleugels de eerste sector parallel aan den radius loopt en de andere sectoren daaruit ontspringen, terwijl bij Hemerobius alle sectoren regtstreeks uit den radius voort-

VOR RUS ML NAG: XVII

komen. Van de andere geslachten (Ithone, Becotha, Dilar en Sartena), die ditzelfde kenmerk hebben en met Psectra ééne groep vormen, onderscheidt dit geslacht zich doordien het tusschen de subcosta en den radius, in het midden twee dwarsaders heeft en „de ondervleugels van het mannetje zeer klein zijn.”

In 1868 gaf MacLachlan zijne Monograph of the British Neuroptera planipennia. in het licht (Trans. ent. Soc. of Lond. 1868 p. II. p. 145), beschreef daarin uitvoerig hetzelfde exem- plaar van Dale (p. 170) en gaf daarvan ook eene afbeelding (pl. X, fig. 5). In zijne generieke beschrijving bespreekt hij alleen het mannetje en voegt daarbij: Men zegt dat het wijfje met ontwikkelde ondervleugels op het Museum te Berlijn is” en verder: „Dit insect, ofschoon zeer verspreid in Europa, is buitengewoon zeldzaam en ik geloof dat er niet meer dan vier of vijf exemplaren van bekend zijn.” Hij neemt dus even als Hagen aan, dat de individuen met onontwikkelde onder- vleugels mannetjes zijn, zonder dat hij evenwel de geslachts- deelen daarvan beschrijft.

In 1871 eindelijk heeft Wallengrèn (Skandinaviens Neuropterd planipennia, p. 51) dit geslacht behandeld. Hij is de eerste die ook van het zoogenaamde wijfje met ontwikkelde onder- vleugels eene beschrijving geeft. Hij had in het geheel drie exemplaren ter zijner beschikking. Een daarvan had hij zelf gevangen, de beide anderen waren door Prof. Boheman bij Stokholm gevonden. Ook hij neemt aan dat de individuen met rudimentaire ondervleugels mannetjes zijn, doch slechts voorloopig, want hij twijfelt en zegt dat dit alleen kan worden uitgemaakt door een onderzoek van de geslachtsdeelen, hetwelk hij niet kon doen omdat hij zijn eenig exemplaar niet wilde opofferen en de beide anderen aan het Rijks Museum behoorden.

Dit is, zoo ver Spr. bekend is, alles wat over dit insect geschreven is. Hij is zoo gelukkig geweest vier exemplaren van dit zeldzaam insect in handen te krijgen. Twee daarvan met rudimentaire ondervleugels zijn door den heer Six te Drie- bergen gevangen en worden op ’s Rijks Museum te Leiden

2

XVIII VERSE AG.

bewaard !. Zij komen in alle opzigten met de beschrijving van MacLachlan overeen, behalve een klein verschil in het beloop der aderen, wat echter bij de insecten van deze orde niet zeldzaam voorkomt. Een derde exemplaar, eveneens met rudimentaire ondervleugels, werd Spr. door Jhr. Everts ge- schonken, die het, op reis zijnde, te Salzburg had gevangen. Het onderscheidt zich van de beide eersten, doordien de boven- vleugels veel donkerder gevlekt zijn. Eindelijk ontving Spr. in het vorig jaar van den heer Snellen van Vollenhoven een doosje met eenige Neuroptera en vond daarin een zoogenaamd wijfje met volkomen ontwikkelde ondervleugels, hetwelk blijkens de etiquette, door Dr. van Hasselt te Utrecht was gevangen. Dit exemplaar komt geheel met Wallengrèn’s beschrijving overeen.

De beide laatstgenoemde exemplaren, die zich in Spreker’s collectie bevinden, zond hij onlangs ter bezigtiging aan den heer MacLachlan, die hem antwoordde, dat het eene het eerste was met vier ontwikkelde vleugels, hetwelk hij onder de oogen kreeg; dat hij de soort niet bezat en slechts één exem- plaar in Engeland kende en dat hij ook nog onzeker was omtrent de sexen, daar hij geen onderscheid kon zien tus- schen de achterlijven van beide exemplaren.

Men ziet hieruit, dat de stelling van Dr. Hagen, dat de „exemplaren met rudimentaire ondervleugels mannetjes en die met ontwikkelde ondervleugels wijfjes zijn van ééne en de- zelfde soort, alleszins nadere bevestiging behoeft.

Het komt Spr. het meest waarschijnlijk voor, dat men hier met twee soorten te doen heeft en dat de vier exemplaren, welke hij onderzocht heeft, allen wijfjes zijn. Hij vertoont sterk vergroote afbeeldingen, zoo van het zoogenaamde mannetje als van het wijfje en wijst er op, dat het laatste veel langere, meer gestrekte bovenvleugels heeft en dat er ook nog vrij wat verschil in de plaatsing der dwarsaders bestaat. Daarenboven pleit, naar zijne meening, de analogie voor zijn beweren.

1) Het zijn de exemplaren, die vermeld worden in dit Tijdschrift, di. I, bl. 12 en 39 en in Snellen van Vollenhoven, Gelede dieren van Nederland, bl. 311.

MERS U A G. XIX

Bij de andere orden van insecten vinden wij wel, dat er tusschen beide sexen verschil bestaat, wat de ontwikkeling der vleugels betreft, zoo als onder de Coleoptera bij Lampyris, onder de Lepidoptera bij Psyche, Anisopteryx enz., maar altijd is het mannetje de meest ontwikkelde. Hij is het, die vóór de paring het wijfje opzoekt en daarvoor de meest ontwikkelde voortbe- wegingsorganen bezit. Een voorbeeld van het omgekeerde is Spr. niet bekend.

In de tweede plaats is dit insect zeer na verwant aan het geslacht Hemerobius, waarvan de mannetjes allen zeer in het oog loopende appendices anales bezitten, die voor de onder- scheiding der soorten van veel dienst zijn. Het is dus niet te verwachten dat bij Psectra volstrekt geene uitwendige geslachts- deelen aanwezig zullen zijn.

De zaak is echter niet uit te maken zonder nader onderzoek. Hij die zoo gelukkig mogt zijn een paar in copula te vinden, kan de vraag dadelijk oplossen. Gelukt dit echter niet, dan blijft het eenige middel, gevangen voorwerpen in verschen toe- stand te onderzoeken.

Spreker’s doel is de leden daarop opmerkzaam te maken en hen dringend uit te noodigen, om, zoo zij exemplaren van dit insect mogten vangen, die zoo mogelijk levend of anders in spiritus of in met water verdunde glycerine aan hem te wil- len zenden.

De heer van der Wulp merkt op, dat er onder de Di- ptera een geslacht is (Penthetria Meig.), waarvan bij het man- netje de vleugels minder ontwikkeld zijn dan bij het wijfje.

De heer Ritsema vraagt in welken tijd van het jaar Psectra diptera vliegt, waarop door den heer Albarda wordt geantwoord, dat het exemplaar van Dale op 26 Junij, dat van Wallengrèn in Julij en die van Six in Augustus zijn gevangen.

Dezelfde Spreker Mr. H. Albarda vraagt verlof om eene oude geschiedenis weêr op te halen.

In 1871, zoo hij meent in Augustus, werd in de Haarlemmer courant berigt, dat zich in Roermond eene zoo groote menigte

XX VERSLAG,

witte vlinders vertoond hadden, dat de gaslantaarns er des avonds geheel mede bedekt waren. Hiervan werd mededeeling gedaan in de wintervergadering van den 23° December. Door eene ver- gissing gaf men echter Venlo op in plaats van Roermond en de Secretaris nam op zich, ons medelid den heer A. van den Brandt aldaar over de zaak te schrijven. Het antwoord, hetwelk in het verslag in eene noot is opgenomen, houdt in, dat van 31 Augustus tot 3 en 4 September in de omstreken van Venlo ontzaggelijke massa’s van kriebelmugjes en wel Simulia argyreata Meig. zijn voorgekomen. Natuurlijk paste dit antwoord, hoe belangrijk ook, volstrekt niet op het genoemd berigt uit Roermond. Spr., wien dit dadelijk bij het lezen opviel, heeft de gelegenheid niet gehad de zaak ter sprake te brengen en zou haar waarschijnlijk vergeten hebben, ware het niet dat hij er aan herinnerd was geworden door een soortgelijk berigt, voor- komende in het Engelsche tijdschrift Nature van October 1872, waarin gemeld wordt, dat eenigen tijd te voren te Florence des avonds eene zoo groote menigte witte vlinders waren voorgekomen, dat de gaslantaarns er geheel mede bedekt waren, zoodat men eindelijk, op last van de overheid vuren op de straten had moeten aanleggen, ten gevolge waarvan deze in korten tijd met eene laag doode vlinders van eenige duimen dikte bedekt waren geworden.

| Volgens Spr. is het duidelijk, dat men hier niet aan Lepidoptera, maar aan Ephemeriden te denken heeft en wel aan Polymitarcys Virgo L., eene soort, die in Augustus in den laten avond soms in zoo ontelbare massa’s uit de rivieren te voorschijn komt, dat het volgens ooggetuigen het voorkomen heeft als of er eene sneeuwbui valt. Réaumur heeft dit zeer fraai beschreven in het deel zijner Mémoires. Ook bij het geval te Roermond heeft men aan hetzelfde insect te denken, hetwelk niet zelden ook hier te lande voorkomt. De heer Heylaerts heeft Spr. een exemplaar gezonden, op de etiquette waarvan stond „eene wolk boven Breda” en ook te Arnhem en Huissen is het door den heer van Medenbach de Rooy Jr. gevangen.

VERSLAG, XXI

Eindelijk deelt dezelfde Spreker een paar feiten mede betrek- kelijk het in massa voorkomen van Libelluliden.

Op den 12 Augustus 1871 vernam hij, dat te Harlingen zich de zoogenaamde paardenbijters in ongeloofelijke massa vertoon- den, vooral aan de zijde van den zeedijk, waar alles er letterlijk mede bedekt was. Hij was voornemens zich den vol- genden dag daarheen te begeven, ten einde te onderzoeken tot welke soort die insecten behoorden. Toen hij echter op- stond, bemerkte hij dat het volstrekt niet noodig was, want dat in dit geval de berg naar Mohammed was gekomen. Overal toch, in de straten, in de tuinen en vooral op de door de zon beschenen zijden der daken zag men Libellulae. Een onderzoek leerde Spr., dat er vier soorten bijeen waren, te weten: Sympetrum striolatum Charp. S. vulgatum L. S. sanguineum Miill. en S. scoticum Don. Omstreeks den middag was hun getal zeer verminderd en tegen den avond waren allen verdwenen.

De wind was geruimen tijd achtereen Noord-Oost geweest, liep in den nacht van den 12” op den 13” door het Noorden naar het Noord-Westen en werd des avonds Noord. Hierin ligt waarschijnlijk de oorzaak van het verschijnsel. De Libellulae hebben zich, voortgedreven door den oostelijken wind, opgehoopt langs de zeekust. Toen de wind draaide, kwamen zij terug en toen deze nog gunstiger werd, vertrokken zij in zuidelijke rigting.

Het tweede feit is door den heer H. W. de Graaf te Sche- veningen waargenomen. Hij schreef daaromtrent het volgende:

„Op 25 Julij 1872 moest ik te Scheveningen dineren. Toen wij de eetzaal van het badhuis binnenkwamen, trok het al dadelijk mijne aandacht dat er Aeschna’s in rondvlogen en zag ik dat de ornamenten van de zolderlijsten, de lichtkroonen, gordijnen enz. met eene menigte dezer dieren bezet waren. Hun aantal was verbazend groot en onder het diner voltigeer- den de sparrebouten door de zaal, deels tot amusement, deels tot schrik van de aanzittende gasten. Het was een van de warmste dagen; de ramen stonden open en men zag de dieren naar binnen vliegen. ’s Avonds vlogen zij heen en weder over het terras; ook den volgenden avond zag ik ze daar. Zoo als

XXII \ VERS L ANG:

mij later verteld werd, hadden de bewoners van de villa’s langs den weg naar het badhuis ook ontzaglijk veel van deze dieren in bunne woningen gehad.”

„Aan een trek over zee zal men wel niet te denken hebben, want de wind woei in die dagen Oost. Ik acht het waarschijn- lijk dat de oostenwind ze uit het land tot aan het strand heeft voortgedreven. Het is, meen ik, A. mixta Latr.

Uit het overgezonden exemplaar is Spr. gebleken, dat de determinatie juist was. |

De heer Baron Lewe van Middelstum laat ter bezig- tiging rondgaan een doosje met eenige vlinders, als:

1°. Vanessa Antiopa L. met witten rand, door hem gevangen in het Cleefsche woud. Hij heeft dit voorwerp medegebragt naar aanleiding van het besprokene op de jongste winterver- gadering !); hij beschouwt dit en andere exemplaren met een witten zoom niet als te zijn afgevlogen of verkleurd, maar als eene afzonderlijke varieteit, ook op grond dat zulke ge- vangen exemplaren toch niet zelden zeer gaaf en frisch van kleur zijn; en zegt voorts dat hij drie jaren geleden een vijf- tigtal poppen uit Leipzig heeft gekregen, die allen vlinders met een’ gelen rand opleverden.

2°. Aghia Tau L., mede uit het Reichswald bij Cleve. Het exem- plaar is zeer gaaf, ofschoon het in de vlugt is gevangen en wel in de tweede helft van Mei, dus laat, want de vliegtijd is het laatst van April. Ten einde dergelijke groote en krach- tige vlinders bij het vangen voor beschadiging te bewaren, geeft Spr. den raad om hen onmiddellijk een korten, vrij sterken, als ’t ware elastieken druk op de borst te geven, waardoor zij worden bedwelmd.

3°. Lobophora viretata Hbn., door Spr. gevangen in de tweede helft van Mei; het voorwerp zat tegen de deur van zijne werk- kamer. De rups leeft, zoo als hem bij ondervinding is gebleken, op de bloesem van Rhamnus frangula, die te Beek overvloedig in het wild groeit.

1) Tijdschr, voor Entom. dl. VIII (2de serie), blz. uxxm.

Y ER S L A 6G. XXIII

4°. Metrocampa honoraria W. V., door hem in drie exem- plaren des avonds laat in de Watermeerwijk onder Groesbeek gevangen op den 12° Junij 1872, bij gelegenheid van een hoogst welkom bezoek van zijnen vriend P. C. T. Snellen. Deze zeldzame voorwerpen waren te danken aan het smeren, een middel dat Spr. zeer aanbeveelt en waarvoor hij steeds met goed gevolg honig met rum gebruikt.

5°. Mamestra satura Wd., gevangen in het Cleefsche woud. Tot heden is deze Noctuine nog niet in ons land waargenomen, doch Spr. houdt het er voor dat zij ook wel moet voorkomen in het bosch van den St. Jansberg onder de gemeente Mook (Limburg), wijl dit bosch slechts door eenen weg, den Zwarten of Neutralen weg, van het Cleefsche woud gescheiden is. Hij meent dat eene excursie, die zeer geschikt daar ter plaatse kan gehouden worden, behalve deze Mamestra, nog menig ander nieuw inseet voor de Nederlandsche Fauna zou doen ontdekken, en grondt daarop den wensch om b. v. in het volgende jaar na de vergadering te Arnhem onze schreden daarheen te rigten.

De heer Heylaerts zegt ongeveer het volgende:

Hoewel reeds zeer vele soorten van Lepidoptera bij Breda door hem gevonden zijn (getuige de lijsten der Bredasche Ma- crolepidoptera, door hem in het Tijdschrift v. Ent. opgegeven), schijnt toch het getal nog veel grooter te zijn, daar jaarlijks zeer interessante en zeldzame species daar ter plaatse worden ontdekt, zoodat nu voor 1873 weêr eene vierde liste supplé- mentaire wordt gereed gemaakt. Ook de Microlepidoptera zijn dáár talrijk in genera en species vertegenwoordigd, zoo als blij- ken zal uit eene lijst weldra door hem op te geven. Jaarlijks worden de nieuwe soorten voor de Fauna in het genoemde Tijdschrift gepubliceerd en niet weinigen worden daar opgegeven als bij Breda gevonden. Hij laat ter visie rondgaan een paar Faunæ novæ species (Grapholithæ) voor als nog niet te determi- neren.

Als merkwaardigheid toont hij eene Psilura Monacha L., die

XXIV NUE RS mA.

zeer gaaf uitgekomen was, behalve dat steeds nog het dier den rupsenkop in plaats van dien eens vlinders droeg. De pop droeg ook in stede van het kopschild het onveranderd caput larvæ. Eene dergelijke pop was ook eenmaal door hem bij den Haag, in het bijzijn van den heer van der Wulp gevonden. Daarvan is evenwel de vlinder niet uitgekomen,

Als tweede bijzonderheid toont hij een hermaphrodiet van Demas Coryli L. Ofschoon nu hier van eigenlijk hermaphroditisme geen sprake zijn kan, wordt toch door de meeste entomologische schrijvers dien term gebruikt, om exemplaren aan te duiden, die én mannelijke én vrouwelijke kenmerken in zich vereenigen. Hoe oneigenaardig ook, geeft toch zulke aanduiding een helder denkbeeld van de zaak. Het hier vertoonde dier had een sterk uitgedrukten mannelijken habitus en dito geslachtsdeelen, doch vrouwelijke sprieten: men zou het dus een androgyne kunnen noemen. Tusschen verschillende leden geeft dit laatste aanlei- ding tot eene interessante discussie, omtrent hermaphroditisme enz., en wordt in het algemeen aanbevolen de geslachtsdeelen van zulke exemplaren aan een naauwkeurig microscopisch onder- zoek te onderwerpen.

Spr. herinnert dat hij op de zomervergadering, gehouden aan het Warmonderhek den 18 Junij 1870, de zakken mede- bragt eener voor de Fauna nieuwe Psyche *), die ook sedert in het werk van Sepp is beschreven en afgebeeld. Daar slechts een niet uitgegroeide mannelijke vlinder werd geteeld (met nog eenige zeer kreupele mannetjes), kon geene juiste determinatie geleverd worden. Bij eene volgende kweeking is hij gelukkiger geweest en heeft hij drie gave mannelijke vlinders verkregen. De bestemming leverde nu geen bezwaar meer op. De naam der soort is Psyche Graslnella Bdv. = atra Frr. Hij laat een zeer zuiver en frisch exemplaar ter bezigtiging rondgaan.

Ter sprake gebragt zijnde het spoedig beschimmelen en daardoor onkenbaar worden van kleine insecten, en zelfs van

1) Zie het verslag dl. VI (2de serie) van het Tijdschrift, blz. 39.

VERSLAG. XXV

zeer groote, wanneer zij in eenigszins vochtige vertrekken be- waard worden, geeft Spr. als uitstekend en proefhoudend middel daartegen het gebruik aan van carbolzuur (Acidum phe- nicum). Het wordt volgender wijze gebruikt. In zuiveren alcohol van 25° losse men zooveel carbolzuur op, dat men eene ver- zadigde solutie verkrijgt; men doope nu een wattenbolletje in deze oplossing en steke dat aan eene speld, brenge nu deze in een hoek van het insectenkastje of lade zoodanig aan, dat het papier niet door de vochtige watten kan geraakt worden, om vlekken te voorkomen. Wanneer men nu tweemaal ’s jaars de watten drenkt, dan kan men zeker wezen dat noch schimmel, noch parasiten de bewaarde insecten zullen bederven. De lucht van carbolzuur is niet schadelijk, terwijl evenmin het metaal der spelden er door wordt aangetast. Opzettelijk genomen proeven hebben hem van een en ander het bewijs geleverd.

Voor den Lepidopteroloog is het mengen van enkele drop- pelen der bovengenoemde oplossing met het vochtige zand in den weektoestel van onberekenbaar nut, aangezien het daar- door mogelijk wordt, dagen, ja weken het product der jagten opzetbaar te houden, terwijl bij gewone behandeling, d. i. het gebruik van vochtig zand zonder meer, reeds na twee dagen alles beschimmeld en bedorven is. In het begin van November werden eenige Microstaphylinen op aldus gemengd zand ge- legd en nu, 7 Junij, zijn de diertjes nog zeer goed te determi- neren, terwijl gewone vertinde inseetenspelden daarin gestoken in al dien tijd niets geleden hebben.

Geen der leden meer het woord verlangende, werd de Ver- gadering door den president gesloten.

Na afloop der vergadering vereenigden zich de aanwezige leden aan een’ gezelligen maaltijd, terwijl de volgende dag (8 Junij) werd besteed aan eene excursie in het Ulvenhoutsche bosch, die behalve door de ter vergadering opgekomen leden (met uitzondering van de heeren Lodeesen en Maitland) nog

XXVI VERSLAG,

werd bijgewoond door de heeren Dr. Aronstein, Dr. Kallenbach, de Man, Mr. Maurissen, Dr. Piaget en Pollen.

De leden bragten den geheelen dag in en om het Ulven- houtsche bosch door en konden zich geheel aan het vangen van insecten wijden, dewijl ook de bij andere excursién dik- wijls zoo groote tijdruimte voor eten enz. verre van het terrein bestemd, nu zeer gering was, daar door den heer Rentmeester der Domeinen van Z. K. H. Prins Frederik der Nederlanden, Jhr. Six, met de meeste heuschheid een in het bosch ledig staand gebouw voor dien dag aan de leden der Vereeniging was afgestaan en men zich daar van het noodige kon voorzien.

Deze excursie, door fraai weder begunstigd, leverde aan velen merkwaardige voorwerpen en allen een’ genoegelijken dag op. Van onderscheidene kanten kwamen bij het Bestuur lijsten in van de bij die gelegenheid gevangen insecten, waaronder menige zeer belangrijke soort. Die lijsten hier, even als vroeger wel eens geschiedde, in haar geheel mede te deelen zou echter te veel plaatsruimte vorderen, in evenredigheid tot het wel eenigszins twijfelachtige nut dat daaraan verbonden is. Alleen zij vermeld, dat de heer Ritsema eenige met larven bezette rietstengels heeft medegenomen, waaruit later, onder meer, ook exemplaren van Lipara lucens Meig. zijn uitgekomen, welk vliegengeslacht tot dusverre niet als inlandsch stond aange- teekend. Ook werden door sommigen eenige zakken met Atypus Sulzeri, waarvan enkelen met de levende spin, uit den grond gehaald en ook een aantal andere spinnen verzameld, ten einde aan Dr. van Hasselt te worden gezonden, die zoo gaarne van de partij zou geweest zijn maar tot zijn groot leedwezen verhinderd was geworden.

LIJST DER LEDEN

VAN DE

NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,

op 7 Junij 1873, MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.

= ace

BEGUNSTIGERS.

Teyler’s Stichting te Haarlem. 1860. De heer Mr. C. W. Hubrecht, te Leiden. 1859.

n__n J. Kneppelhout, Hemelsche Berg te Oosterbeek. 1861.

uv» Francois P. L. Pollen, te Scheveningen. 1867.

Mevrouw Hartogh Heys van de Lier, geb. Snoeck, te ’s Gravenhage. 1868. De heer Dr. F. J. I. Schmidt, te Rotterdam. 1869.

» n Mr. J. Thiebout, te Zwolle. 1869.

"n uw Jhr. Mr. W. C. M. de Jonge van Ellemeet, te Oost-Capelle

bij Middelburg. 1870. » wu Jhr, F. van den Santheuvel, te Dordrecht. 1870.

EERELEDEN.

De heer C. F. Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858. n H. T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Londen. 1861. uv» Dr. C. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis- senschaften en Burgemeester van Weenen. 1861. ”» w Prof. Dr. H. Löw, te Guben. 1862. n__n Prof. J. O. Westwood, F. L. S., Directeur van het Hopean Museum te Oxford. 1862. A. E. W. Ludeking, Officier van gezondheid bij het Nederl. Indische leger. 1862.

XXVII

LIJST DER LEDEN ENZ.

De heer Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, oud-Officier van gezond-

”.

u

De heer

#

heid, practiserend geneesheer te ’s Gravenhage. 1864.

Prof. J. J. P. Hoffmann, te Leiden. 1865.

Dr. Gustav L. Mayr, te Weenen. 1861.

Dr. H. D. J. Wallengrèn, te Farkutt, bij Höganäs in Zweden. 1871.

R. MacLachlan, F. L. S., Secretaris van de Entomological Society te Londen. 1871.

Dr. T. Thorell, Hoogleeraar in de Zoologie aan de Hoogeschool te Upsala in Zweden. 1812.

Dr. C. A. Dohrn, President der Entomologische Vereeniging te Stettin. 1873.

CORRESPONDERENDE LEDEN.

Prot. Arn. Forster, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool te Aken. 1853.

Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.

Dr. C. Stäl, Professor aan het Kon. Zoologisch Museum te Stockholm. 1864.

Frederic Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864.

J. W. May, Consul-Generaal der Nederlanden te Londen. 1865. Mr. J. W. van Lansberge, Buitengewoon Gezant en gevol- magtigd Minister der Nederlanden te Brussel. 1865.

Prof. P. C. Zeller, Grünhof bij Stettin. 1867.

W. Mink, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool te Cre- feld. 1861.

Dr. H. Weyenbergh, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Cordova in de Argentijnsche republiek. 1812.

Dr. W. Marshall te Weimar. 1812.

BUITENLANDSCHE LEDEN.

Henri Vicomte de Bonvouloir, Archiviste-adjoint de la société entomologique de France, te Parijs, Rue de U Université, 15. H. Jekel van Westing, lid der K. Acad. der natuuronderzoe- kers te Moscou en van verscheidene entomol. genootschappen, te Parÿs, Rue Letort, 2.

GEWONE LEDEN. 1845-46.

De heer Dr. J. G. H. Rombouts, te Amsterdam. » F. M. van der Wulp, Spui, n°. 60, te 's Gravenhage.

v

Diptera.

De heer

A u w wv # vu a 4 1/2 uw De heer u u u u # De heer uv A u u A # u # # 4 De heer u A u a De heer # # a a

LIJST DER LEDEN ENZ. XXIX

Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, huize Schothorst, te Hoogland bij Amersfoort. Algemeene Entomologie.

J. W. Lodeesen, Prinsengracht bij de Reestraat, KK, 561, te Amsterdam. Lepidoptera indigena.

Dr. J. R. E. van Laer, te Utrecht.

Th. J. van Campen, te Amsterdam.

Dr. P. H. J. Wellenbergh te Oiséerwÿk.

Mr. H. Ver Loren van Themaat, te Utrecht. Lepidoptera. Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Phil. nat. Dr., 2de Van den Boschstraat, 34, te ’s Gravenhage. Hymenoptera en Hemiptera.

W. O. Kerkhoven, te Zwello.

1851-52.

R. T. Maitland, Directeur van den Kon. Zoologisch-botani- schen Tuin te ’s Gravenhage. Algemeene -Entomologie.

P. C. T. Snellen, Zuidblaak, wijk 2 n°. 12, te Rotterdam. Lepidoptera.

Dr. M. Imans, te Ufrecht.

Dr. W. A. J. van Geuns, Oude Gracht, te Utrecht.

1852-53.

N. H. de Graaf, Haarlemmerstraat, te Leiden. Lepidoptera. Mr. H. W. de Graaf, Noordeinde, 123, te ’s Gravenhage. Inl. Lepidoptera, bijzonder Microlepidoptera.

G. M. de Graaf, Heerengracht, te Leiden. Lepidoptera. Dr. L. A. J. Burgersdijk, Hoogleeraar aan het Athenaeum te Deventer. Algem. Entomologie.

G. A. Six, De Ruiterstraat, 11, te ’s Gravenhage. Hy- menoptera.

Prof. W. Berlin, te Amsterdam.

1855-56.

A. A. van Bemmelen, Directeur van de Diergaarde te Æot- terdam. Algemeene Entomologie.

Mr. E. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalkuizen, te Velp. Lepidoptera.

M. Breukelman, te Delfshaven. Lepidoptera,

1856-57;

Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. Inlandsche Lepi- doptera (bijzonder Microlepidoptera) en Neuroptera.

Mr. W. Albarda, Ginneken bij Breda, Lepidoptera en Neuroptera. A. P. H. Kuipers, te Leeuwarden.

Di. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerkade, 15, te ’s Gravenhage. Arachniden.

XXX

De

De

u

De

2 heer

u

heer

heer

u

heer

heer

heer

LIJST DER LEDEN ENZ.

1957-58.

Dr. J. W. Schubärt, te Utrecht. W. K. Grothe, te Zeist.

1858-59.

J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D, 368, te Dordrecht. Lepidoptera. J. Backer Jr., te Oosterbeek. Lepidoptera.

1860-61.

J. Kinker, Oudezijds- Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort, B. 261, te Amsterdam. Lepidoptera en Coleoptera indigena. Dr. E. Piaget, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, Korte- naerstraat, 416, te Rotterdam. Diptera en Parasitica.

1862-63.

H. Baron Lewe van Middelstum, te Beek bij Nymegen. Lepidoptera,

1863 -64. Mr. R. Th. Bijleveld, Rapenburg te Leiden. Algemeene Entomologie. D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F, 3411, te Zwolle. Lepidoptera.

1864-65.

Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. Lepidoptera. H. J. Veth, Phil. nat. cand., Leeraar aan de Hoogere Bur- gerschool te Rotterdam. Algemeene Entomologie. H. W. Groll, te Haarlem. Coleoptera. 1865-686.

Dr. H. C. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat, te Arnhem. Lepidoptera. W. J. Boogaard, Kleine Houtstraat, te Haarlem. Micro- lepidoptera en Hymenoptera. A. Brants, Candidaat in de regten, Buitensingel te Arnhem. Lepidoptera. |

1866-67, F. J. M. Heylaerts Jr., Sé. Jansstraat te Breda. Lepi- doptera enz. Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Hoogleeraar te Utrecht. Alge- meene Zoologie.

À. van den Brandt, te Venlo. Lepidoptera.

1867-68.

C. Ritsema Cz., Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuurlijke historie, Hoogewoerd W. 3, n°. 446 te Leiden. Algemeene Entomologie.

LIJST DER LEDEN ENZ. XXXI

De heer Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Phil. nat. Doctor, aan de Rijbrug, te Smilde.

1868-69,

De heer J. J. M. Gordon, te Amersfoort. n__n J, G. de Man, Adsistent bij ’s Rijks Museum van Natuurlijke historie, te Leiden. Algemeene Entomologie, ”» uw Dr. T. W. O. Kallenbach, te Rotterdam. v « A. Cankrien, te Rotterdam. Lepidoptera. vw » Mr. C. J. Sickesz, Burgemeester van Laren, Huize de Cloese bij Lochem. » a (©. J. M. Jongkindt Coninck, Directeur der Maatschappij van Weldadigheid, te Frederiksoord,

1869—70.

De heer Prof. E. Selenka, Stelle Rijn te Leiden. Algemeene Zoologie.

uv Dr. H. W. Waalewijn, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te Leiden.

" » M. Nijhoff, Raamstraat 49, te ’s Gravenhage. Bibliographie.

1870-71.

De heer Dr. L. L. Aronstein, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, te

Breda.

» Jhr. Ed. J. G. Everts, Æuigensstraat 15, te’s Gravenhage. Coleopteras

uv # Mr. M. Piepers, Lid der regterlijke magt in Nederlandsch Indië, te Macassur.

» uw M. L. Ritsema, Officier van gezondheid bij het leger in Neder- landsch Indië, te Padang.

» Dr. P. J. Veth, Hoogleeraar aan de Rijksinstelling van onderwijs in de taal-, land- en volkenkunde van Ned. Indië, te Leiden.

1871-72.

De heer W. A. Ivangh Schepman, te Rhoon. Lepidoptera. » » D. Burger, Phil. nat. stud., te Leiden. Hemiptera. » » J. Ritzema Bos, Phil. nat. cand., te Warffum. o » J, F. G. W. Erbrink, N. Z. Voorburgwal over de Kolk, G, 206, te Amsterdam. Algemeene Entomologie. ”» u J. B. van Stolk, Zeemansstraat, te Rotterdam. Lepidoptera. A. F. A. Leesberg, Jur. cand., Jan-Hendrikstraat, 9, te ’s Gravenhage. » » Prof. H. J. van Ankum, te Groningen. » w M. M. Schepman te Rhoon. Neuroptera. w w# Dr. C. Ks Hoffmann, Conservator aan ’s Rijks Museum voor Nat. hist. te Leiden, Vergelijkende ontleedkunde,

XXXII LIJST DER LEDEN ENZ. | 1872-73,

De heer A. Schmier de Poorter, Donkersteeg, te Leiden.

“n Dr, A. J. van Rossum, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, te Enschede,

BESTUUR.

President. Mr. W. Albarda.

Vice-President. P. C. T. Snellen.

Secretaris. F. M. van der Wulp.

Conservator. Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven. Bibliothecaris. C. Ritsema Cz.

Penningmeester, J. W. Lodeesen.

COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.

De President van het Bestuur. Mr. Dr. S. C. Snellen van Vollenhoven. > F. M. van der Wulp.

BIBLIOTHEKEN

NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.

Bijgekomen boeken na het drukken der Catalogi tot ultimum Junij 1873.

BIBLIOTHEEK A.

Natuurlijke Historie in het Algemeen.

Niets bijgekomen.

Algemeene Dierkunde.

Boeck (A.), Bidrag til Calilgyniens Amphipodefauna. Christiania, 1871, M. 1 Tavl., 8vo. (bis, zonder de plaat).

————— De Skandinaviske og Arktiske Amphipoder. Förste Hefte. M. 7 Tavlr. Christiania, 1872. 4to.

Brogger (W. C.), Bidrag til Kristianiafjordens Molluskfauna. Ind- beretning om en i Sommeren 1870 foretagen Reise i Kristiania og Krsands Stift forat undersöge Land- og Ferskvands-Molluskerne samt Iglerne, af O. S. Jensen. Christiania, 1872, M. 1 coll. Tavl. 8vo. (bis).

Collett (R.), Lycodes Sarsii, n. sp. ex ordine Anacanthinorum Gadoideorum. C. tab. Christiania, 1871, 8vo.

_—— —— Supplement til „Norges Fugle og deres geographiske Udbredelse i Landet.” (1868—-70). Christiania, 1871, 8vo. (met

de vier vorige ten geschenke ontvangen van de Koninklijke Uni- versiteit van Noorwegen.)

Finsch (O.), Description of a new Species of Penguin. Lond. 1870, W. a col. plate, 8vo.

On a Collection of Birds from the Island of Trinidad. Lond. 1870, 8vo.

XXXIV BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.

8.

10.

IE

12.

14.

15.

16.

IM

18.

19.

20.

21.

Kolenati (F. A.), Die Parasiten der Chiroptern. Dresd. 1857, M. 4 Tfin. 8vo. (met de beide vorige ten geschenke ontvangen van Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.)

List (Revised) of the Vertebrated Animals now or lately living in the gardens of the Zoological Society of London. Lond., 1872, 8vo. (van de Zoological Society in ruil tegen het Tijdschr. van Entom.)

Plateau (F.), Matériaux pour la Faune Belge. Crustacés Isopodes terrestres. Brux., 1870, 8vo.

Recherches Physico-Chimiques sur les Articulés aqua- tiques. Prem. partie. Brux. 1870, 4to. (met het vorige ten ge- schenke ontvangen van Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.)

Sars (G. O.), Nye Dybvandscrustaceer fra Lofoten. Christiania, 1869. 8vo.

————— Carcinologiske Bidrag til Norges Fauna. I. Monographi over de ved Norges Kyster forekommende Mysider. Christiania, 1870, Förste Hefte. M. 5 pl.; 1872. Andet Hefte. M. 3 pl. 4to. (van het 2de gedeelte een bis.)

——-——— Undersögelser over Hardangerfjordens Fauna. I. Crus- tacea. Christiana, 1871, 8vo.

1871, 8vo.

—_— —— Diagnoser af nye Annelider fra Christianiafjorden, efter Prof. M. Sars’s efterladte Manuskripter. Christiania, 187L, 8vo.

Nye Echinodermer fra den Norske Kyst. Christiania,

On some remarkable Forms of Animal life from the great Deeps off the Norwegian Coast. I. Partly from posthumous manuscrips of the late Prof. M. Sars. Christiania, 1872, W. 6 copp. pl. 4to. (bis) (met de vijf vorige ten geschenke ontvangen van de Koninklijke Universiteit van Noorwegen.)

Algemeene Entomologie.

Moore (F.), F. Walker and F. Smith, Descriptions of some new Insects collected by Dr. Anderson during the Expedition to Yunan. London, 1871, W. a Col. pl. 8vo. (geschenk van den heer Moore.)

Siebke (H.), Bidrag til Norges Insektfauna. Beretning om en i Osterdalen foretagen Reise i 1870. Christiania, 1872. 8vo. (bis)

(geschenk van de Koninklijke Universiteit van Noorwegen.)

Tigny (F. M. G. T. de), Histoire naturelle des Insectes. 3e édition par M. F. E. Guérin. Paris, 1828, 10 vol. Av. pl. col. 12mo.

Vollenhoven (S. C. Snellen van), Een snuitkever en een sluipwespje. Amst., 1873, kl. 8vo.

22.

23.

24.

25.

26.

21.

28.

29.

30.

sl.

32.

33.

34.

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. XxXV

Vollenhoven (S. C. Snellen van), Eene indringster en hare ge- vechten. Amst. 1873, kl. 8vo. (met het vorige van den schrijver ten geschenke ontvangen.)

Bijzondere Entomologie.

A. Coleoptera.

Jekel (H.), Note sur les Genres Peribleptus Sch., Paipalesomus Sch. et Paipalephorus Jekel. Paris, 1872, 8vo.

————— Notice sur le Genre Caccobius, (C. G. Thomson). Paris, 1872, 8vo. (met het vorige van den Schrijver ten geschenke ontvangen.)

Parry (F. J. Sidney), A few Remarks upon Mr. James Thomson’s Catalogue of Lucanidae, published in the Annales de la Société Entomologique de France, 1862. Lond. 1863, 8vo. (geschenk van den heer S. C. Snellen van Vollenhoven.)

B. Lepidoptera.

Moore (F.), Descriptions of New Species of Bombyces from North Eastern India. Lond. 1865. W. a col. pl. 8vo.

Descriptions of New Indian Lepidoptera. Lond., 1872. W. 3 col. pl. 8vo. (met het vorige van den Schrijver ten geschenke ontvangen.)

Scudder (S. H.), Notice of some North American species of Pieris. Boston, 1861, 8vo.

Vollenhoven (S. C. Snellen van), Beschrijvingen en afbeeldingen van Nederlandsche vlinders (vervolg op Sepp, Beschouwing der Wonderen Gods, enz.).’s Gravenhage, 1873. DI. IIT, N°. 21—24, 4to.

Wallace (A. R.), and F. Moore, List of Lepidopterous Insects collected at Takow, Formosa, bij Mr. Robert Swinhoe. Lond., 1866, 8vo. (geschenk van den heer Msore.)

Wallengrèn (H. D. J.), Skandinaviens Pyralider och Choreutider beskrifne. Stockholm, 1871, 8vo. (geschenk van den Schrijver.)

€. Hymenoptera.

Mayr (G.), Formicidae Borneerses collectae a J. Doria et O. Beccari in territorio Sarawak annis 1865— 1867. Genova 1872, 8vo.

————— Die Einmiethler der mitteleuropäischen Eichengallen. Wien, 1872, 8vo. (met het vorige van den schrijver ten ge- schenke ontvangen).

Rossum (A. J. van), Sur le liquide des larves de Cimbex. Harlem, 1872, 8vo. (geschenk van den schrijver.)

XXXVI

35.

36.

31.

38.

43,

45,

46.

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING,

D. Hemiptera. Niets bijgekomen.

E. Neuroptera.

Ritsema Cz. (C.), Enoicyla pusilla Burm., ihre Lebensweise und Fundorten. Regensburg, 1813, 8vo. (Geschenk van den schrijver).

Scudder (S. H.), Additional Remarks upon the Odonata of the Isle of Pines and of the White Mountains of New Hampshire. Boston, 1867, 8vo.

EF. Orthoptera.

Niets bijgekomen.

G. Diptera. Niets bijgekomen.

EE. Arachnoidea en Myriapoda.

Brandt (J. F.), Recueil de Mémoires rélatifs à l’ordre des Insectes Myriapodes. St. Pétersbourg, 1841, 8vo. (geschenk van Mr. 8. C. Snellen van Vollenhoven).

Hentz (N. M.), Supplement to the Descriptions and Figures of the Araneides of the United States. Edited by S. H. Scudder. Boston, 1868, W. 2 pl. 8vo.

Hoogenstraaten (F. W. M.), Over de Scabies. Utrecht, 1858, met 1 plaat, 8vo.

Humbert (A.) et H. de Saussure, Myriapoda nova americana. Paris, 1869, 8vo.

Koch (C. L.), System der Myriapoden, mit den Verzeichnissen und Berichtigungen zu Deutschlands Crustaceen, Myriapoden und Arachniden. Heft 1—40. Regenburg, 1847, Mit 10 Tiln. kl. 8vo.

Koch (L.), Die Myriapodengattung Lithobius. Mit 2 Tfin. Niirn- berg, 1862, 8vo.

Peters (W.), Uebersicht der im königl. zoologischen Museum befindlichen Myriopoden aus der Familie der Polydesmi, so wie Bescheibungen einer neuen Gattung Trachyjulus, der Juli und neuer Arten der Gattung Siphonophora. Berlin, 1864, 8vo.

————— Nachtrag zu der Uebersicht der Polydesmi des königl. zoologischen Muscums. Berlin, 1864, 8vo. Plateau (F.), Matériaux pour la Faune Belge. Deuxiéme note, Myriapodes. Brux., 1872, Av. 2 pl. 8vo.

41.

48.

49,

50.

51.

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. XXXVII

Sundevall (C. J.), Conspectus Arachnidum. Londini Gothorum, 1833, 8vo. (Met de zeven vorigen ten geschenke ontvangen van Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven).

Thorell (T.), Remarks on Synonyms of European Spiders. Up- sala, London, Berlin, 1873. Part 4, 8vo. (geschenk van den schrijver).

Palaeontologie.

Niets bijgekomen.

Ontwikkelingsgeschiedenis en ontleedkunde. Niets bijgekomen.

Tijdschriften.

Annuaire de l’Académie royale des sciences, des lettres et des beaux arts de Belgique. Brux. 1872/73, Ann. 38 et 39, Av. portr. kl. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr, v. Entom.).

Archives of Science and Transactions of the Orleans County. So- ciety of Natural Sciences. Newport, Orleans Co., Vermont. 1871/12, vol. I, n°. 4 and 5, 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. voor Entom.).

Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. Caen, 1871, 2de ser. 5e vol. (ann. 1869—70) 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)

Bulletin des Scéances de la Société Entomologique de France. Paris, 1873, n°. 1, 8vo.

Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Buffalo 1873, vol, I, n°. 1, 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.). Bullettino della Società Entomologica Italiana. Firenze, 1872/73, an IV, trim. 4; an V, trim. 1, 8vo. (im ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).

Compte-Rendu des Scéances de la Société Entomologique de Belgique. Brux. 1872/73, n°. 80—88, 8vo.

Fauvel (A.), Annuaire Entomologique pour 1873. Caen et Paris, 1873, kl. 8vo. (geschenk van den schrijver).

Jaarboek der Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot aan- moediging van den Tuinbouw. Rotterdam, 1864, M. 1 pl. 8vo.

Jahresbericht (Zweiter) des Vereines der Aerzte in Steiermark. Gräz, 1866, 8vo.

Mémoires de la Société Linnéenne de Normandie. Caen et Paris, 1869—72, T. XV et XVI. Av. pl. 4to. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).

XXXVIII BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.

10.

71.

72.

13.

74.

15.

16.

11.

18.

19.

ROUE

81.

82.

Memoirs of the Boston Society of Natural History. Boston, 1869—72, vol. II, part I, part. 1I, n°. 1. With plates. 4to. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).

Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië, uigegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië. Batavia en ’s Gravenhage, 1866, dl. 29, aflev. 2—4, 8vo.

Newman (E.), The Entomologist. London, 1873, vol. VI, 112—117, 8vo.

Proceedings of the Boston Society of Natural History. Boston, 1871—72, vol. XIII, vol. XIV p. 1—224, 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entem.).

Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society of London for the year 1872, part I. London, 1872. With plates, 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).

Schriften der königlichen physikalisch-ökonomischen Gesellschaft zu Königsberg. Königsberg, 1872, 13de Jahrg., Iste Abth., 4to. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).

Transactions of the New York State Agricultural Society for the years 1869 and 1870, Albany, 1170—71. With plates, 8vo.

Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche Entomologische Vereeniging. ’s Gravenhage 1872—73, 2de ser. 8ste deel, afl. 1—5. Met pl. 8vo.

Verhandelungen der kaiserlich-königlichen zoologisch-botanischen Gesellschaft in Wien. Wien, 1872. Bd. XXII. Mit 7 Tfln. 8vo. (ix ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).

Verslag van de zesde Winter-Vergadering der Nederlandsche Ento- mologische Vereeniging, gehouden te Leiden, den 28sten December, 1872. ‘s Gravenhage 1873, 8vo.

Verslag (72ste) van het Natuurkundig Genootschap te Groningen, over het jaar 1872, 8vo.

Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Weten- schappen. Afdeeling Natuurkunde. Amst. 1873, 2de reeks, 1de deel, eerste stuk. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)

Reizen. Niets bijgekomen.

Varia.

Anniversaire (Centième) de Fondation de l'Académie Royale de Belgique, 1772—1872. Brux. 1872, 2 vol. 8vo. (geschenk van de Belgische Academie van Wetenschappen.)

83.

84.

85. 86.

81.

88.

89.

90.

Site

92.

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. XXXIX

Cantate ved det Kongelige Norske Frederiks Universitets Mindefest for Hans Majestæt Kong Carl, den 19de November 1872. Christi- ania, 1872, 4to, (geschenk van de Koninklijke Universiteit van

EAT: Noorwegen.) a

Catalogue of the library of the Zoological Society of London. London, 1872, 8vo. (geschenk van the London Zoological Society). Chapuis (F.), Le Pigeon voyageur Belge. Verviers, 1865, kl. 8vo. ————— Le Pigeon voyageur Belge. De son Instinct d’orien- tation et des moyens de le perfectionner. Verviers, 1868, kl. 8vo. —— Conseils pratiques sur l’utilité de la Vaccine. Verviers, 1870, 8vo.

————— et E. Lambotte. Les Bains. Conseils pratiques. Ver- viers, 1869, 8vo. (met de drie vorigen ten geschenke ontvangen van den heer S. C. Snellen van Vollenhoven.

Müller ‘(A.), Coutributions to Entomological Bibliograghy up to 1862, N°. 1. London, 1873, 8vo. (geschenk van den Schrijver.)

Quetelet (A.), Notices extraites de l’annuaire de l’observatoire royal de Bruxelles pour 1873, kl. 8vo.

——— _- Observations des Phénomènes périodiques pendant l’année 1870. Bruxelles, 4to. (met het vorige van den Schrijver ten geschenke ontvangen.)

Weyenbergh (H.), De taak der Dierkunde. Redevoering ter aan- vaarding van het hoogleeraarsambt in de philosophische faculteit (leerstoel der Dierkunde) aan de Universiteit te Cordova (Argentina) in Juli 1873 in de Spaansche taal uitgesproken. Haarl. 1873, 8vo. (geschenk van den Redenaar).

BIBLIOTHEEK 5%.

Natuurlijke Historie in het Algemeen. Cotta (B.), Briefe über A. von Humboldt’s Kosmos. Leipzig, 1860. Bd. IV. Bearb. von W. C. Wittwer und H. Girard. 8vo. Algemeene Dierkunde.

Niets bijgekomen.

Algemeene Entomologie.

Thomson (C. G.), Opuscula Entomologica. Lund, 1869—71. Fasc. I—IV, 8vo.

XL

10.

11.

12.

13.

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. Bijzondere Entomologie.

A. Coleoptera. Niets bijgekomens

BB. Lepidoptera.

Berce (E.), Faune entomologique francaise (Lépidoptères). Des- cription de tous les Papillons qui se trouvent en France. Paris, 1870. Vol. III et IV (Noctuae). Av. pl. col. 8vo.

Hewitson (W. C.), Exotic Butterflies, being Illustrations of new Species. London, 1870—73. Part 73—87. W. many col. pl. 4to.

———--— Illustrations of Diurnal Lepidoptera, (Lycaenidae). London, 1873. Part. V. With 6 col. pl. 4to.

Millière (P.,) Iconographie et Description de Chenilles et Lépi- doptères inédits. Paris, 1872—73. Livr. 28—31. Av. pl. col. gr. in 8vo.

Vollenhoven (S. C. Snellen van) Beschrijvingen en Afbeeldingen van Nederlandsche Vlinders. ’s Gravenhage, 1872—73. DI. III, N°, 1—24. Met gekl. pl. 4to. (Vervolg op J. C. Sepp, Beschouwing der wonderen Gods.)

€. Hymenoptera.

Thomson (C. G.), Skandinaviens Hymenoptera. Tom II. (Apis, Linn.) Lundae, 1812, 8vo.

ED. Hemiptera. Stal (C.), Hemiptera Fabriciana. Stockh. 1868, 69. 2 tom. 4to.

E. Neuroptera.

Clutius (A.), Opuscula duo singularia. I. De nuce medica. IT. De Hemerobio sive Ephemero Insecto, et Majali Verme. Amstelodami, 1834, 4to.

Wallengrèn (H. D. J.), Skandinaviens Neuroptera. Stockh. 1871. Första Afdeln. Neuroptera Planipennia, 4to.

EF. Orthoptera.

Saussure (H. de), Mélanges orthoptérologiques. Genève, Bale et Lyon, 1872. Tom. II. Av. 3 pl. 4to.

G. Diptera.

Jaennicke (F.), Neue exotische Dipteren aus den Museen zu Frankfurt a. M. und Darmstadt. Frankf. a. M. 1868. M. 2 Tfin. 4to.

14.

15.

16.

Wi

18.

: #9!

20.

21.

22.

23.

24.

25.

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING, XLI

Schiner (R. J.), Catalogus systematicus Dipterorum Europae. Vindobonae, 1864. 8vo.

HI. Arachnoidea en Myriapoda.

Thorell (F.), Araneae nonnullae Novae Hollandiae. Stockh. 1870. 8vo. 4

Palaeontologie,

Niets bijgekomen.

Ontwikkelingsgeschiedenis en ontleedkunde.

Graber (V.), Vorläufiger Bericht über den propulsatorischen Ap- parat der Insekten. Wien, 1872. M. 1 Taf. 8vo.

Tijdschriften.

Album der Natuur. Tijdschrift ter verspreiding van natuurkennis onder de beschaafde lezers van allerlei stand, Haarlem, 1872. Met pl. 8vo.

Annales de la Société Entomologique de Belgique. Brux. 1871—72. T. 15. Av. 3 pl. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr, v. Entom.)

Annales de la Société Entomologique de France. Paris, 1871, 5de série. T. I. Av. 7 pl. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)

Annales des Sciences naturelles. Zoologie et Palaeontologie. Paris, 1870—73, Serie. t. 13—17, t. 18 n°. 1. Av. pl. 8vo.

Annals and Magazine of Natural History; conducted by CAC. Babington, J. E. Gray, W. S. Dallas and W. Francis. Lond. 1872—73. 4th. Series, vol. 9—11. With pl. 8vo.

Archives (Nouvelles) du Muséum d'histoire naturelle. Paris, 187015. T. 7, 8 et 9, live ‘I. Av. pl. 4to.

Berliner entomologische Zeitschrift; herausgegeben von dem Ento- mologischen Vereine in Berlin. Redact. Dr. G. Kraatz. Berlin, 1872, lôter Jahrg. M. 7 Tfln. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).

Bulletins de l’Académie royale des Sciences et belles-lettres de Bruxelles. Brux. 1871—72 2de Série, t. 31—34. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).

Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou, publié sous la direction du Dr. Renard. Moscou, 1872. Ann. 1872, n°, 1—3, Av. 4 pl. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).

XLII

26.

27.

29.

30.

32.

33.

34.

35.

36.

37.

38.

39.

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.

Bijdragen tot de Natuurkundige Wetenschappen, verzameld door H. C. van Hall, W. Vrolik en G. J. Mulder. Amsterd. 1826—-32. 7 din. Met pl. 8vo.

Entomologische Zeitune. Herausgegeben von dem Entomologischen Vereine in Stettin. Stettin, 1872. Jahrg. 33. M. 2 Tfin. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).

Entomologist’s (The) monthly Magazine; conducted bij H. G. Knaggs, R. McLachlan, E. C. Rye and H. T. Stainton. Lond. 1872— 73. vol. IX et X, 1. 8vo.

Guérin-Méneville (F. E.), Revue et Magasin de Zoologie pure et appliquée. Paris, 1871—73. 2de Série t. 23, 24 1—6. Av. pl. 8vo.

Jaarboekje van het Kon. Zoologisch Genootschap » Natura Artis Magistra ». Amsterd. 1872—73. 8vo.

Journal of the Proceedings of the Linnean Society of London. (Zoology). Lond. 1871, vol. XI, 53 and 54. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).

Korrespondenz-Blatt des Zoologisch-mineralogischen Vereines in Regensburg. Regensburg, 1872—73. Jahrg. 26, 27, 1—4. 8vo.

Mittheilangen des Schweizerischen entomologischen Gesellschaft ; redigirt von Gust. Stierlin, Schaffhausen, 1873. vol. IV. Heft 1. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).

Stainton (H. T.), The Entomologist’s Annual. Lond. 1873. W. 1 pl. 8vo. (geschenk van den heer Stainton.)

Transactions of the Entomological Society of London. London, 1837. Vol. I. prt. 1 and 2. With 8 col. pl. 8vo.

Transactions of the Entomological Society of London, for 1871 and 72. London, 1871—72. With pl. 8vo. (in ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).

Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederl. Entom. Vereen. onder redactie van S, C. Snellen van Vollenhoven, A. W. M. van Hasselt en F. M. van der Wulp. ’s Gravenhage, 1872—73, 2de serie, dl. 8, aflev. 1—4. M. 8 gekl. pl. 8vo.

Verhandlungen des naturhistorischen Vereines der preussischen Rheinlande und Westphalens. Bonn, 1871. Jahrg. 28. Mit 9 Tafin. 8vo.

Verslagen der beide in 1872 door de Nederl, Ent. Vereen. ge- houden Vergaderingen.

40.

41.

42.

43. 44,

45.

46.

41.

48.

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT VEREENIGING. XLIII

Wiegman (A. F. A.), Archiv für Naturgeschichte, herausgegeb. von Dr. F. H. Troschel. Berlin, 1871—73. Jahrg. 37 1-4; 38 1-4; 39 1. Mit Tafln. 8vo.

Zoologist (The), A monthly Journal of Natural History conduct.

by E. Newman. Lond. 1872—73. Sec. series, 76—93. 8vo.

Reizen.

Alpinus (P.), Historia Aesypti naturalis. Lugd. Bat. 1735.

Paris I et II, C. tabb. 102. 4to.

Brükmann (F. E.), Notae et animadv. in G. Pisonis et J. Bontii libros de Indiae re naturali et medica. Wolffenb. 1738. 4to.

Ginanni (F.), Istoria civile e naturale delle pinete Ravenate. Roma, 1774. C. tabb. 18. 4to.

Pallas (P. S.), Voyages dans plusieurs provinces de l’empire de Russie et dans l’Asie septentrionale. Traduits de l'allemand par Gauthier de la Peyronie. Nouv. édition revue et enrichie de notes par M. M. Lamarck et Langlès. Paris, an Il. 8 vol. 8vo et un Atlas de beaucoup de planches et de cartes. 4to. A

Piso (W.), Historia naturalis Brasiliae. Lugd. Bat. et Amstelod. 1648. C. fige. fol,

Reise der österreichischen Fregatte Novara um die Erde in den Jahren 1857, 58 und 59 unter den Befehlen des Commodore B. von Wüllerstorf-Urbair. Zoologischer Theil. Zweiter Band. Wien, 1865—67. 4to.

Coleoptera, bearb. von L. Redtenbacher. Wien, 1867. Mit 5 Tafin.

Hymenoptera, bearb. von H. de Saussure. Wien, 1867. Mit 4 Tafln. und einem Supplement von J. Sichel.

Formicidae, bearb. von G. L. Mayr. Wien, 1865. M. 4 Tafln.

Hemiptera, bearb. von G. L. Mayr. Wien, 1866. M. 5 Tafln.

Neuroptera, bearb. von F. Brauer. Wien, 1866. M. 2 Tafln.

Diptera, bearb. von R. J. Schiner. Wien, 1868. M. 4 Tafln.

Voyage de Humboldt et Bonpland. 2de Partie. Observations de Zoologie et d’Anatomie comparée. Paris, 1811. Vol. I. Av. 30 pl. col. 4to.

Varia. Niets bijgekomen.

ENTOMOLOGISCHE INHOUD

VAN

ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.

September 1872.

Newman’s Entomologist, 108 (Sept. 1872) (4) 1). Korte aanteekeningen over insekten van verschillende orden, doch voornamelijk over Lepidoptera.

The Entomologist’s Monthly Magazine, 100 (Sept. 1872) (B).

A List of British Dolichopodidae, by G. H. Verrall. Descriptions of a new genus and five new species of exotic Psocidae (with a wood-cut), by R. Mac Lachlan. Mimiery in the colors of insects, by Dr. H. A. Hagen. Descriptions of seven new exotic Rho- palocera, by W. C. Hewitson. Change of Nomenclature, by E. C. Rye. Notes on Coleoptera in the New Forest, by G. C. Champion en andere kleine mededeelingen.

Newman’s Zoologist, sec. series 84 (Sept. 1872) (B). Slechts de mededeeling van Edward Newman dat gedurende Augustus voornamelijk in het Zuiden van Engeland een ongewoon aantal exemplaren van Vanessa Antiopa gevangen is.

Annals and Magazine of Natural History, 4th series 57 (Sept. 1872) (B).

A Monograph of the Genus Thelyphonus, by A. G. Butler. New Names for a long-known Lepidopteron, by C. Ritsema. Eggs and newly hatched Young of Ixodes Dugesii and Argas reflexus, by G. Gulliver,

Revue et Magasin de Zoologie, 1871—1872 7 et 8 (B).

Descriptions d’espèces nouvelles de Carabiques de la tribu des Zron- catipennes, et remarques synonymiques, par M. le baron de Chaudoir (Suite). Nouveaux Coléoptères d'Europe, par H. Tournier. Catalogue des Longicornes récoltés par M. Théophile Deyrolle, en Imerétie, Mingrélie et Géorgie, et description des espèces nouvelles,

1) 4 duidt aan dat het werk tot de oorspronkelijke Bibliotheek der Ned. Ent. Vereeniging, B dat het tot de Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier behoort,

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. XLV

par H. Tonrnier. De l'influence de la lumière sur les larves de diptères privées d’organes extérieurs de la vision, par M. G. Pouchet. (Suite et Fin.) Etudes sur les Lépidoptéres du genre Pavonia, par E. Deyrolle (Suite). Hyménoptères nouveaux du bassin méditerranéen, par M. le Dr. Dours.

Transactions of the Entomological Society of London for 1871. (B).

A Monograph on the Ephemeridae, by E. Eaton. New Species of Diurnal Lepidoptera from South and Central America, by W. C. Hewitson. Descriptions of a new genus and six new species of Pierinae, by A.G. Butler. On the dispersal of non-migratory Insects by atmospheric agencies, by A. Müller. Notes on some British species of Oxypoda with descriptions of new species, by D. Sharp. Observations on Immature Sexuality and Alternate Generation in Insects, by T. Lowne. On Additions to the Atlantic Coleoptera, by Vernon Wollaston. On a new genus and species of Coleoptera belonging to the family Lucanidae, from the Sandwich Islands, by C. O. Waterhouse. An Examination of the arrangement of Macro-Lepidoptera introduced in England by Mr. Doubleday, and a suggestion as to its origin; with some strictures upon synonymic lists, by W. Arnold Lewis. Descrip- tions of some new exotic species of Lucanidae, by J. O. Westwood. Descriptions of a new genus, and of two new species of Longicorn Coleoptera, by H. W. Bates. Descriptions of three new species of Cicindelidae, by H. W. Bates. Descriptions of new genera, and of some recently discovered species of Australian Phytophaga, by J. S. Baly. Descriptions of five new species, and a new genus of Diurnal Lepidoptera, from Shanghai, by A. G. Butler. On some black species of Cantharis with red heads and filiform antennae, by C. O. Waterhouse. Aperçu statistique sur les Névroptéres Odonates, par le baron E. de Selys-Longchamps. On the forms of Zygaena Trifolii, with some remarks on the question of specific difference, as opposed to local or phytophagic variation, in that genus, by T. H. Briggs. Remarks concerning the identification of Myrmeleon formicaleo, formicarium, and formicalyna of Linné, by R. Mac Lachlan.

Idem, for 1872 part 1, 2 and 3,

Stylopidarum, ordinem Strepsipterorum Kirbii constituentium, mihi tamen potius Coleopterorum Familiae , Rhipiphoridis Meloïdisque pro- pinquae, Monographia ; auctore S. S. Saunders. On certain species of Pericopides in the Collection of Mr. W. Wilson Saunders: with a List of the described Species pertaining to that Group, by A. G. Butler. Descriptions of some Species of Cassididae new to science, by J. S. Baly. Descriptions of new Species of Luca- noid Coleoptera; with remarks on the genus Cantharolethrus, and supplementary List, by Major Parry (including descriptions by M.

XLVi BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. :

Snellen van Vollenhoven and Prof. Westwood). Descriptions of some new Papilionidae, by J. O. Westwood. -- Note on the Diurnal Lepidoptera described by Jablonsky and Herbst, in their ,, Natur- system aller bekannten Insekten,” by W. F. Kirby. On the genus Acentropus, by J. W. Dunning. On the external sexual apparatus of the males of the genus Acentropus, by R. Mc. Lachlan. On the Longicorn Coleoptera of Chontales, Nicaragua, by H. W. Bates. Descriptions of twenty new species of Buprestidae, by E. Saunders. Notes on certain species of Pericopides, omitted in a list of species recently read before the Society, by A. G. Butler.

Nouvelles Archives du Museum d’bistoire naturelle de Paris, tome 8°, fasc. I: (B). Journal d’un voyage dans le centre de la Chine et dans le Thibet oriental, par M. l’ablé Armand David, waarin enkele kleine aan- teekeningen over Insekten,

October 1872.

Newman’s Entomologist, 109. (Oct. 1872) (4).

Economy of Chalcidiae, by Fr. Walker. Entomological Notes from South-Australia, by H. Ramsay Cox. On some Amurland Insècts, by Fr. Walker. Korte aanteekeningen over insecten van verschillende orden, doeh voornamelijk over Lepidoptera.

The Entomologist’s Montly Magazine, 101. (Oct. 1872) (2). Notes on Heteromera and Descriptions of New Genera and Species (N°. 1), by F. Bates. Instructions for the Collection and Preser- vation of Neuropterous Insects, by R. Mac Lachlan. The recent Invasion of Great Britain by Vanessa Antiopa, by H. T. Stainton. Voorts vele kleine aanteekeningen.

Newman’s Zoologist, sec. series 85 (Oct. 1872) (2). Larva of Eupithecia togata, by H. Harpur Crewe.

Annals and Magazine of Natural History, 4th series 58 (Oct. 1872) (2).

Remarks on Crinodes Sommeri and Tarsolepis remicauda, by A. G.

Butler. On the Habits of some Madeiran Spiders, by Fr. Pollock. On the Habits of Galeodes pallipes, by Prof. Cope.

Bullettino della Società Entomologica Italiana, anno quarto, trim. III (Luglio, Agosto, Settembre 1872) (4).

Degli Insetti parassiti e delle loro Vittime enumerazione con note del Prof. Camillo Rondani (continuazione.) Catalogo sinonimico e topografico dei Coleotteri della Toscana (continuazione), ordinato da Ferd, Piccioli. Diagnosi di una-nuova specie di Pelopoeus, del Prof. Antonio Carruccio. Ancora della Partenogenesi del Bombyx mori, dell’ Ing. Antonio Curò. Materiali per la Fauna entomo-

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. XLvii

logica dell’isola di Sardegna. Coleotteri (Continuazione) da Piero Bar- gagli. Allevamento dei bachi da seta in Italia nella primavera del 1872, del Prof. A. Targioni-Tozzetti. Un momento di cattivo umore. Sulla natura delle ali degli Insetti. Parteno- genesi delle Farfalle. Partenogenesi delle Api. Diagnosi di nuove specie italiane. Di un insetto poco noto che danneggia l’ulivo. Sulla Phylloxera vastatrix.

Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Année 1872. N°. 1 (B). Supplément indispensable à l’article publié par M. Gerstaecker, en 1869, sur quelques genres d’Hyménoptères, par O. de Bourmeister Radoszkowsky. Av. une pl.

Verhandlungen des naturhistorischen Vereines der preussischen Rhein- lande und Westphalens. 28ster Jahrg. 1871. (B). Uebersicht der Gattungen und Arten der Familie der Plectiscoiden,

von A. Forster. Lebende Maden von Anobium paniceum in einem Glase mit spanischem Pfeffer, von Troschel. Ueber die Cetoniden der Sunda-Inseln und Molukken, von Mohnike. Ueber eine entomologische Mittheilung von Hern G. Fries in Breslau Plusia Cheiranthi (Eugenia Er.) betreffend, von Andrà. Ueber die Nahrung der Gryllotalpa vulgaris, und über die Züchtung von Saturnia Yama-mai, von Landois.

November, 1872,

Newman’s Entomologist, 110. (Nov. 1872) (4).

Economy of Chalcidiae, by Fr. Walker. Notes on some Insects of Italy and of South France, observed between the middle of May and the middle of July, 1872, bv the same. Korte aan- teekeningen over insekten van verschillende orden, doch voorna- melijk over Lepidoptera. Extracts from the Proceedings of the Entomological Society, February 5 to March 18, 1872.

The Entomologist’s Monthly Magazine, 102 (Nov. 1872) (B).

Description of a new genus and two new exotic species of the family Larridae (Hymenoptera) (with a wood-cut), by C. Ritsema. Description of a new species of Aphidius from Britain, by T. A. Marshall. Notes on British Tortrices, with descriptions of two new species, by C. G. Barrett. Note on our recent invasion by Vanessa Antiopa, by F. Buchanan White. The recent invasion by Vanessa Antiopa, by D. Sharp. Description of a new species of Damaster from Japan, by E. C. Rye. Notes on Heteromera and descriptions of new genera and species (N°, 2), by F. Bates. Verder vele kleine aanteekeningen.

Newman’s Zoologist, sec. series. 86 (Nov. 1872) (B). Are the Channel Islands British? by E. Birchall,

XLVII BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.

Annals and Magazine of Natural History, 4th series, 59 (Nov. 1812) (B.)

Notes on Coleoptera, with Descriptions of New Genera and Species, Part II, by Fr. P. Pascoe. Notes on a Deep-sea Dredging- Expedition round the Island of Anticosti, in the Gulf of St. Lawrence, by J. F. Whiteaves. Descriptions of new Myriopoda of the Family Glomeridae, by A. G. Butler. On Branchipus and Artemia, by C. Vogt.

Troschel’s Archiv fur Naturgeschichte. 38er Jahrg. 2tes Heft. (B). Ueber Cubanische Crustaceen nach den Sammlungen Dr. J. Gundlach’s. Von E. von Martens. (Schluss.) Verzeichniss der von Dr. J. Gundlach auf der Insel Cuba gesammelten Rüsselkäfer. Von Dr. E. Suffrian in Münster. (Fortsetzung). Ueber die Respirations- organe der Araneen. Von Dr. Ph. Bertkau in Köln (met 1 Taf.).

Mittheilungen der Schweizerischer Entomologischen Gesellschaft. Redigirt von G. Stierlin. Vol. III. Heft 10 (4.)

Hyménoptères divers du Bassin du Léman, par Fr. Chevrier. Ein Beitrag zur Kenntniss des Genus Deilephila O., von Dr. Huguenin. Materiaux complémentaires pour la Faune des Lepidopteres de la Suisse, par H. de Peyerimhoff. XIIe Recueil. Descriptions d’un genre nouveau et de plusieurs espèces de Coléoptères propres à la Russie méridionale et remarques synonymiques, par Gautier des Gottes. Ueber Entwickelung und Lebensweise von Serropalpus strictus Hellen. Von J. Erné. Etudes sur les Myriapodes, par Alois Humbert I. Note sur l’accouplement et la ponte des Glomeris.

Revue et Magasin de Zoologie. 1871—1872. 10. (2.) Hyménoptères nouveaux du bassin méditerranéen, par M. le Dr. Dours. (Suite.)

December 1872.

Newman’s Entomologist, 111. (Dec. 1872) (4).

Economy of Chalcidiae, by Fr. Walker. Observations on Diptera, by R. H. Meade. On some Amurland Insects (Part. 2), by Fr. Walker. Korte aanteekeningen over Lepidoptera. Extracts from the Proceedings of the Entom. Soc. 18 March 1872, waarin o. a. Ravages of Locusts in South Australia by C. A. Wilson. Haegerstone Entomological Society. Death of Mr. Edleston, by E. Newman.

The Entomologist's Monthly Magazine, 103 (Dec. 1872) (B). Notes on two new genera of Psocidae (with an illustration), by Baron E. de Selys Longchamps. Descriptions of a new species of Papilio from Lagos, by W. C. Hewitson. Descriptions of new species of African Diurnal Lepidoptera, by C. Ward. Extraor- dinary migration of Pyrameis Cardui, by F. Buchanan White.

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. XLIX

Notes on Heteromera, and descriptions of new genera and species (n° 3), by F. Bates. Description of a new genus and species of Hydrophilidae from New Zealand, and of a new species of Phil- hydrus from Great Britain, by D. Sharp. —- Observations on some Britisch species of Dascillidae, with description of a new species of Cyphon, by D. Sharp. Additions to the list of British Coleoptera, etc., including description of a new species of Thyamis, by E. C. Rye. Note on a recent capture of Lymexylon navale in Cheshire, by J. Chappell en andere kleine mededeelingen. Instructions for the collections and preservation of Neuropterous Insects (continued), by R. Mc. Lachlan.

Annals and Magazine of Natural History. 4th series. N°. 60 (Dec, 1872) (B.)

On a new Family and Genus and two new Species of Thelyphonidea by O. P. Cambridge (with a Plate.) On Crinodes Sommeri and Tarsolepis remicauda, in answer to Mr. Butlers’s Remarks, by C. Ritsema. On the Habits and Distribution of Lycosa ingens BI., by O. P. Cambridge,

Nouvelles Archives du Museum d’Histoire naturelle de Paris, tome 8, fasc. II (3). Journal d’un voyage dans le centre de la Chine et dans le Thibet oriental, par M. l’abbé Armand David. (Suite).

Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde, Jahrg, 25 und 26. 1871—72 (4).

A. Rössler, Beobachtungen über einige in Gärten vorkommende Kleinschmetterlinge. id. Zur Naturgeschichte von Agrotis Tri- tici L. = fumosa L. und obelisca S. V. A. Fuchs, Beobach- tungen über einige Lepidopteren. C. L. Kirschbaum, Ueber das Nest von Anthidium strigatum Latr.

Revue et Magasin de Zoologie 1871—72. n°. 9 (B).

Catalogue des Longicornes récoltés par M. Théophile Deyrolle, en Imirétie, Mingrélie et Géorgie, et descriptions des espèees nouvelles par H. Tournier. (Suite.) Hyménoptères nouveaux du bassin méditerrannéen, par M. le Dr. Dours. (Suite.)

Januarij, 1873.

Newman’s Entomologist, 112 (Jan. 1878) (4).

Economy of Chalcidiae, by Fr. Walker. Pseudobalani, or False Acorns, by E. Newman. Notes on some Insects of Italy and of South France, observed between the middle of May and the middle of July, 1872, by Fr. Walker, Korte aanteekeningen vooral over Lepidoptera. Extracts from the Proceedings of the Entomological Society, waarin o. a. het vervolg van Wilson's

4

L BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.

» Ravages of Locusts in South Australia. # South London En- tomological Society. Death of Mr. J. K. Lord, by E. Newman. -

The Entomologist’s Monthly Magazine, 104 (Jan. 1873) (B).

Instructions for the collection and preservation of Neuropterous In- sects (continued), by R. Me. Lachlan. Remarks on Mr. Bar- retts Notes on British Tortrices, » by C. S. Gregson. Notes on Trichopterygia with descriptions of two new species, by A. Mat- thews. Notes on Heteromera, and descriptions of new genera and species (n° 4), by F. Bates. A descriptive List of Erotylidae collected by G. Lewis in Japan, by G. R. Crotch (with Addenda to the genus Languria bij E. W. Janson and C. O. Waterhouse). Verder vele kleinere mededeelingen.

Annals and Magazine of Natural History, 4th series 61 (Jan. 1873) (B). Notes on the Longicorn Coleoptera of Tropical America, by H. W. Bates. Physico-chemical Investigations upon the Aquatic Arti- culata, Part II by F. Plateau. Answer to Herr Ritsema’s v Note on Crinodes Sommeri ete.‚n by A. G. Butler. On a Mite in the Har of the Ox. Proc. Acad. Nat. Sci. Philad. 1872.

Februarij, 1878.

Newman’s Entomologist, 113 (Febr. 1873) (4).

Variety of Chelonia villica, by Edw. Newman. Economy of Chal- cidiae, by Fr. Walker. Notes on Swiss Lepidoptera, by H. Ch. Lang. Notes on some Insects of Italy and of South France, observed between the middle of May and the middle of July, 1872, by Fr. Walker. Supplementary Note on the Genus Acentropus, by J. W. Dunning. Korte aanteekeningen vooral over Lepidoptera. Description of a Lepidopterous Insect (Kphestia Rozburghii) new to Science, by C. S. Gregson.

The Entomologist’s Monthly Magazine, 105 (Febr, 1873) (4).

Notes on Meteromera, and Descriptions of New Genera and Species (n° 5), by F. Bates. A list of Endomychidae collected in Japan by G. Lewis, with descriptions of new genera and species, by H. S. Gorham. Descriptions of new species of Coleoptera from Chili, by E. C. Reed. Descriptions of new species of African Lepidoptera, by C. Ward. British Hemiptera: new species (Homoptera), by J. W. Douglas and John Scott. Notes on Britisch Tortrices, by G. G. Barrett. Note on the occur- rence in England of Clytus erythrocephalus F., by E. C. Rye en verder vele kleinere mededeelingen. Entomological Society of London, 6th January, 1873. Review: Catalogue of British Hymenoptera, Part 2, compiled by T. A. Marshall,» by J. W. Dunning. Instructions for the collection and preservation of Neuropterous Insects (continued), by R. Mc. Lachlan,

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING LI

Annals and Magazine of Natural History, 4th series, 62 (Febr. 1873) (B).

A monographic List. of the Species of the Genus Gonyleptes, with Descriptions of three remarkable new Species, by A. G, Butler. Notes on the Longicorn Coleoptera of Tropical America, by H. W. Bates. Anatomical Investigations on the Zimuli, by A. Milne-Edwards. Descriptions of three new Species of Crustacea parasitie on the Cetacea of the N. W. coast of America, by W. H. Dall.

Revue et Magasin de Zoologie. 1871—1872, 11 et 12. (B). Notice sur le genre Caccodius Thoms. par H. Jekel. Hyméno- | pières nouveaux du bassin méditerranéen, par M. le Dr. Dours (Suite). Catalogue des Cicindélides et des Carabides recueillis par K. Th. Deyrolle en Asie Mineure, par M. H. Gilnicki, Catalogue raisonné des Lépidoptères rapportés par M. Th. Dey- rolle de son exploration scientifique en Asie Mineure, par M. Ch. Oberthür. Tables alphabétiques pour l'année 1871—1872.

Bulletino della Società Entomologica Italiana, anno quarto, trim. IV (Ottobre, Novembre, Decembre 1872) (4).

Degli insetti parassiti e delle loro vittime (continuazione e fine), del Prof. C. Rondani. Sui rapporti delle Formiche colle Tetti- gometre e sulla genealogia degli Afidi e dei Coccidi, del Prof.

: F. Delpino. Note relative alla Zhalessa clavata, da G. C. Vittore. Sopra un nuoyo metodo per preservare le collezioni entomologiche dai danni degli Antreni, del Dott. C. Emery. Di alcune escursioni fatte in Italia nel 1872, da P. Bargagli. Sull’ allevamento dei bachi della quercia (Saturnia Yama-mai), del Nob. C. Tacchetti. Intorno alla partenogenesi riconosciuta nelle farfalle da antichi italiani, da C. de Siebold. Catalogo di Crostacei podottalmi brachiuri e anomuri, raccolti nel viaggio di cireumnavigazione della fregata italiana Magenta e riportati dal Prof. E. Giglioli.

Annales des Sciences Naturelles. Zoologie, t. XV, 4 à 6. (B). Mémoire sur le vol des Insectes et des Oiseaux, par M. Marey. Note sur les Crabes d’eau douce de Madagascar, par M. A. Milne Edwards. Description de quelques Lépidoptères appartenant aux genres Charaxes et Cyligramma, et provenant du voyage de M. A. Grandidier à Madagascar, par M. H. Lucas.

id. tome XVI (2).

Mémoire sur le développement des Phalangides, par M. Balbiani. Etudes d’anatomie comparée sur les organes du toucher chez divers Mammifères, Oiseaux, Poissons et Insectes, par M. Jobert.

_ Etude sur le prétendu Crustacé au sujet duquel Latreille a créé le

nt peg

Lil BIBLIOTHEEK DER NED, ENT. VEREENIGING.

genre Prosopistome et qui n’est autre chose qu’un véritable Insecté hexapode, par M. M. Joly.

Id. tome XVII nos 1 et 2 (B). Mémoire sur des Crustacés rares ou nouveaux des côtes de France,

par M. Hesse. Recherches sur l’anatomie des Limules, par M. A. Milne Edwards.

Maart, 1873.

Newman’s Entomologist, 114 {March 1873) (4).

Variety of Arctia mendica and of Callimorpha dominula, by Edw. Newman. Economy of Chalcidiae, by Fr. Walker (continued). A List of the Butterflies inhabiting Guernsey and Sark, with Notes of their Occurrence, by W. A. Luff. Central African Blood-sucking Flies, by Fr. Walker. On some Amurland Insects (part III) by Fr. Walker. Korte aanteekeningen over insecten van verschillende orden.

The Entomologist’s Monthly Magazine, 106 (March, 1873) (B).

Instructions for the collection and preservation of Neuropterous In- sects (concluded) by R. Mc. Lachlan. Descriptions of two new Butterflies from the West-Coast of Africa, by W. C. Hewitson. Notes on Heteromera, and Descriptions of new genera and species (n° 6), by F. Bates. On certain British Hemiptera-Homoptera by J. Scott (continued). Descriptions of two new species of Ichneumonidae (Anomalon and Mesostenus) from Great-Britain, by T. A. Marshall. Vervolgens vele kleine mededeelingen voor- namelijk op de fauna van Engeland betrekking hebbende. Daarna: Additions and Corrections to the List of British Syrphidae, by G. H. Verrall.

Annals and Magazine of Natural History, 4th series 63 (March, 1873) (B). Additions to the Australian Curculionidae. Part IV by P. Pascoe, On the Parasites of the Cetaceans of the N. W. Coast of America, with Descriptions of New Forms, by W. H. Dall.

Revue et Magasin de Zoologie, 1873, 1 (2).

Descriptions de huit Lépidoptères inédits d'Europe, par P. Millière, Description et figure de cinq espèces de Coléoptéres Mexicains, par A. Sallé. Description de Morphonides Brésiliens, par H. Burmeister.

Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie, 2de série vol. 5 (1869—70) (4).

Diagnoses de Coléoptères nouveaux, par A. Fauvel. Mémoire sur

les Stapliylinides formant la suite de la Faune gallo-rénane, par

A. Fauvel, Compte-rendu d’une communication faite aux réu-

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING, Lill

nions des Sociétés savantes à la Sorbonne, par M. Leprieur, sur les moeurs singulières de Coléoptères du genre Haemonia, par A. Fauvel. Résultats entomologiques de l’excursion à St.-Vaast, par A. Fauvel. Application de l’acide sulphureux à la destruc- tion des chenilles, par M. Fayel père.

Mémoires de la Société Linnéenne de Normandie, vol. XV (1865—69) (4). Catalogue des Colèoptères de l’Algérie et contrées voisines, avec descriptions d’espèces nouvelles, par M. M. Reiche et Lallemant.

Correspondenz-Blatt des zoologisch-mineralogischen Vereines in Regens- burg. 27ter Jahrg., 1 (B). Eine neue Phryganide für die bayerische Neuropteren-Fauna, von Otto Walser.

April, 1873.

Newman's Entomologist, 115 (April, 1873) (4).

Varity of Pyrameis Cardui, by Edw. Newman. Economy of Chal- cidiae, by Fr. Walker (continued). The Origin and Distribution of the Insects of the British Isles, by E. Birchall. A List of the Nocturnal Macro-Lepidoptera inhabiting Guernsey and Sark, with Notes of their Occurrence, by W. A. Luff. Ento- mological Notes from South Australia, by H. Ramsay Cox (con- tinued), On some Amurland Insects (Part IV) by Fr. Walker. Verder vele kleine aanteekeningen.

The Entomologist’s Monthly Magazine, 107 (April, 1873) (B).

Additions and corrections of the List of British Syrphidae, by G. H. Verrall (continued). Desciptions of a new genus and two new species of Coleoptera from Japan, by H. S. Gorham. Notes on Heteromera and Descriptions of new genera and species (n° 7), by F. Bates. Descriptions of Lycaena Arthurus, a new European Butterfly, by J. Cosmo Melvill. Description of a new Butterfly from Java, by Th. Chapman. On certain British Hemiptera-Homoptera, by John Scott. Notes on Bri- tish Tortrices, by C. G. Barrett (continued). Verder vele kleine aanteekeningen en het verslag van de Vergaderingen van de Lond. Ent. Soc. van 17 Febr. en 3 en 17 Maart 1873.

Annals and Magazine of Natural History, 4th series 64 (April, 1813) (B). On a Crustacean of the Genus Zia, by Th. R. R. Stebbing. On Hypermetamorphosis in Palingenia Virgo, and on the Analogies of its Larva with the Crustacea, by N. Joly.

Revue et Magasin de Zoologie, 1873, 3 et 4 (B). Monographie des espèces de Coléoptères du genre Erodius, Fab., par E. Allard,

LIV BIBLIOTHEEK DER NED, ENT. VEREENIGING,

Annales des Sciences Naturelles. Zoologie, t. XVII, 3 et 4 (B).

Mémoire sur des Crustacés rares ou nouveaux des Côtes de France, par M. Hesse.

Nouvelles Archives du Muséum d'histoire naturelle de Paris. t. 8, 4e fasc. (B). Recherches sur la Faune Carcinologique de la Nouvelle-Calédonie , par M. A. Milne Edwards.

Proceedings of the Boston Society of Natural History. Vol XIII (1869—71) p. 369 till the end (4). Catalogue of the Phalaenidae of California, by A. S. Packard Jr. New or rare American Neuroptera, Thysanura and Myriapoda, by A. S. Packard Jr.

Id. vol. XIV, p. 1—224.

Embryology of Isotoma, a Genus of Poduridae, by A. S. Packard Jr. Notes on the Flight of N. E. Butterflies, by Ch. 5. Minot. Notices of some Heteroptera in the Collection of Dr. T. W. Harris, by P. R. Uhler.

Memoirs of the Boston Society of Natural History, vol. II, part II, numb. I (4). On the Development of Limulus Polyphemus, by A. S. Packard Jr.

Transactions of the New York State Agricultural Society, vol. XXIX, 1869 (4). Thirteenth Report on the noxious, beneficial and other Insects of the State of New York, by Asa Fitch.

Id. vol. XXX, 1870. Fourteenth Report on the noxious etc. by the Same.

Archives of Science and Transactions of the Orleans County Society of Nat. Sciences, vol. I, IV, V. (4). Doryphora decem-lineata. List of Lepidoptera collected in Troy Vt., by James C. Kennedy.

Jaarboekje van het Koninklijk Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra voor 1813 (B). Een Snuitkever en een Sluipwespje, door S. v. V. Bene indring- ster en hare gevechten, door S. v. V.

The Entomologist’s Annnal for 1873 (B).

New British Species of Coleoptera, Corrections of Nomenclature etc., noticed since the publication of the Entomologist’s Annual for 1872, by B. C. Rye. Notes on new and rare British Lepidop- tera (excepting Tineina) in 1872, by H. Guard Knaggs. New British Tineina, by H. T. Stainton. Investigations on Sciaphila Wahlbomiana L. and the allied Species, by Dr. O. Hoffmann. A Critical Notice of the Lepidoptera of Perthshire, by Dr. F.

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. LV

Buchanan White, being Part I of the Fauna Perthensis, by R. C. R. Jordan. One-Sidedness, by H. T. Stainton.

Annales de la Société Entomologique de Belgique. Tome 15 (1871— 1872) (B).

Essai monographique sur les Drimostomides et les Cratocérides et

Description d’un genre nouveau de Morionides, par le Baron M. de

Chaudoir. Matériaux pour une Faune Névroptérologique de l’Asie septentrionale, par M. M. de Sélys-Longchamps et Mac- Lachlan. Note sur la tribu des Adélocéphalides, par le Dr. Boisduval. Monographie des Callidides, par le Baron M. de Chaudoir. Un mot sur le mode d’adhérence des mâles des Dytiscides aux femelles pendant l'acte de l'accouplement, par Félix Plateau. Communication de quatre rapports scientifiques inédits

de feu M. le Professeur Wesmael, par J. Sauveur.

Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society of London for the year 1872, part I (4).

A synonymie List of the Species formerly included in the Genus Pieris ; with all others described since the Subdivision of the Group by recent Authors, by A. G. Butler. General List of the Spiders of Palestine and Syria with Descriptions of numerous new Species and Characters of two new Genera, by O. P. Cambridge,

The Journal of the Linnean Society, Zoology, vol. XI, 53 et 54 (B). A Catalogue of the Aculeate Hymenoptera and Ichneumonidae of India and the Eastern Archipelago, by F. Smith, with Introduc- tory Remarks by A. R. Wallace. Observations on a Light-giving Coleopterous Larva, by Dr. H. Burmeister. On the Origin of Insects, by J. Lubbock. Berliner Entomologische Zeitschrift. 16° Jahrg. (1872). Heft 2—4 (B). Bericht über die Naturforscher-Versammlung zu Leipzig vom Jahre 1872, von von Kiesenwetter. Neue Käferarten von Oran, von E. Reitter. Ueber die Gattung Pseudocolaspis Lap., von Dr. G. Kraatz. Verzeichniss andalusischer Diptera, bei Granada von Hernn Ribbe gesammelt, von Victor v. Röder. Nachtrag zu der Aufzählung der Noctuae des nördlichen Harzgebirges, von

W. Heuäcker. Bemerkungen über europäische Clythriden, von Dr. G. Kraatz. Ueber die Noctuae des nördlichen Harzgebirges, von W. Heuäcker. Zwei seltene schlesische Schmetterlinge im

nordwestlichen Deutschland aufgefunden, von W. Heuäcker Die südafrikanischen Arten der Nitidulinen-Gattung Meligethes, nach dem Materiale der Herren Chevrolat, Dr. Fritsch und Anderer bearbeitet von E. Reitter. Zweiter Nachtrag zur Revision der europäischen Meligethes-Arten, von E. Reitter. Nachtrag zu den südafrikanischen ‘Arten der Nitidulinen-Gattung Meligethes, von E. Reitter. Synonymische Bermerkungen. Ueber einige

LVI BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.

Sahlberg’sche Käfer-Arten, von G. Kraatz. Monographie der Cryptochiliden von Dr. G. Haag-Rutenberg. Revision der Gat- tung Cerallus, von H. von Kiesenwetter, Ueber Criocephalus epibata Schiödte, von Dr. G. Kraatz. Dritter Nachtrag zur Revision der europäischen Otiorhynchus-Arten, von Dr. G. Stierlin. Revision der europäischen Arten der Gattung Malthodes, von H. von Kiesenwetter.

Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou. Ann. 1872, 2 et 3 (B). Observations sur quelques genres de Carabiques, avec la description

d'espèces nouvelles, par le Baron de Chaudoir. Enumération des nouvelles espèces de Coléoptères rapportés de ses voyages par feu Victor Motschoulsky. Onzième article. Reise nach den

Salzseen Baskuntschatskoje und Elton, nach Schilling, Anton, Astrachan nebst Mittheilungen über das Vorkommen mehrerer Käfer und Fliegen in jenen Gegenden, von A. Becker. Notes sur quelques espèses de Phryganides et sur une Chrysopa, par M. R. McLachlan. Enumeration der in den russischen Gouvernements Kiew und Volhynien bisher aufgefundenen Käfer, von J. H. Hochhuth.

Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Vol. IV, Elett may CP):

Orthopterologisches, von E. Frey-Gessner. Hemipterologisches , von E. Frey-Gessner. Aphorismen über die entomologische Systematik, von G. Schoch. —- Ein Beitrag zur Kenntniss des Genus Lasiocampa Latr., von Dr. Huguenin. Noctuinen-Fauna der Schweiz, von J. Wullschlegel.

Bulletins de l’Académie Royale des Sciences, des Lettres etc. de Bel- gique. sér. t. 31 (1871) (B). Synopsis des Cordulines, par M. E. de Sélys-Longchamps. Id seri 331812) (2): Materiaux pour la faune belge: deuxieme note, Myriapodes, par Felix Plateau. Id. ser. t. 34 (1872) (B). Recherches physico-chimiques sur les articulés aquatiques (2me partie) par Félix Plateau.

Mei 1873.

Newman’s Entomologist, 116 (May, 1873) (4).

Variety of Argynnis Aglaia, with figure, by Edw. Newman Economy of Chalcidiae, by Francis Walker (continued). Con- trolling Sex in Butterflies, by Mrs. Ab. Treat. A List of the Nocturnal Macro-Lepidoptera inhabiting Guernsey and Sark, with Notes of their Occurrence, by W. A. Luff (continued). A List of the Macro-Lepidoptera taken at Buckingham or in its immidiate

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING, LVII

Neighbourhood , with Notes of their Occurrence, bij W. Slade. Description of the Larva of Tephrosia biundularia, by G. T. Por- ritt. Entomological Notes, Captures, etc.

The Entomologist’s Monthly Magazine, 108 (May, 1873) (B).

On the Pectinicorn Coleoptera of Japan, with Descriptions of three new Species, by C. O. Waterhouse. On a new Coleopterous Genus from Japan, by T. Vernon Wollaston. -- Additions and Corrections to the List of British Syrphidae (concluded) by G. H. Verrall. On the Larva of Sphinx Convolvuli and its Habits, by W. Buckler. Note on Xylotrupes dichotomus L., by G. Lewis. Note on Trachyphloeus alternans, by W. Tylden. Note on Otiorhynchus monticola Germ., by D. Sharp. On the supposed new Species of European Butterfly (Lycaena Arthurus Melvill) by O. Staudinger. Natural History of Polia Chi, by W. Buckler. Note on the capture of Pentatoma juniperina, bij J. Scott.

Newman’s Zoologist, sec. series, 92 (May, 1873) (2). Proceedings of the London Entomological Society: March 17 and April 7.

Annals and Magazine of Natural History, 4th series, 65 (May, 1873) (B). On a new Genus of Amphipod Crustaceans, by R. von Willemöes-Suhm.

Troschel’s Archiv für Naturgeschichte. 39% Jahrg. Erstes Heft (B). Die Cetoniden der Philippinischen Inseln, beschrieben von Dr. O. Mohnike.

Correspondenz-Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg. 27° Jahrg. 2 und 3 (B). Ueber 3 in Bayern vorkommenden Cryptiden, von Dr. Kriechbaumer. Ueber Chrysis Stoudera Panz., von demselben.

Verhandlungen der k.k. zool.-bot. Gesellschaft in Wien. Jahrg. 1872 (4).

Beiträge zur Lebensgeschichte der Käfer, von A. Rupertsberger. Berichtigungen zu Dr. Kirschbaum’s Cicadinen der Gegend von Wiesbaden, Frankfurt a. M. und anderer Gegenden, und Aus- schlüsse über einige Cicadinen in der vorm. Germar’schen Samm- lung, von Dr. F. X. Fieber. Beschreibung sieben neuer Arten Microlepidopteren, von J. Mann. Rudolf Felder. Fin Nachruf, von Dr. J. R. Schiner. Drei neue Arten der Gattung Sciara, von Th. Beling. Miscellin, von Dr. J. R. Schiner. Ueber Vitus Graber’s: Mittheilung der Aehnlichkeit der Geschlechtsorgane bei Orthopteren. Entgegnung, von Prof. L. H. Fischer. Zwei neue Asiliden, beschrieben von C. Koch. Ueber einige Cryp- toiden, meist aus der österreichischen Fauna, von C. Tschek. Ueber Diaspis Visci Schrank, eine auf der Mistel lebende Schild-

LVII BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.

laus, von Dr. F. Löw. Ein Beitrag zur Bienenfauna Deutsch- lands, von Dr. F. Morawitz. Zoologische Miscellen, von G. Ritter von Frauenfeld. Beiträge zur Kenntniss der nordamerikanischen Nachtfalter, besonders der Microlepidopteren, von Prof. P. C. Zeller. Erste Abtheilung. Phylloxera vastatrix, von G. Ritter von Frauenfeld, Zwei neue Carabiden-Larven, von M. Rupertsberger. Aus der Frühlings-Flora und Fauna Illyriens, von Pater G.

Strobl, Beitrag zur Naturgeschichte der Zweiflügler-Gattungen Bibio und Dilophus. Ferner: ein dem Getreide schädliches Insekt, von Th. Beling. Ueber das Vorkommen von Scorpionen im

Erzherzogthume Oesterreich, von Grafen Ferrari. Die Einmiethler der mitteleuropäischen Eichengallen, von Dr. G. Mayr. Beschrei- bung einiger Zwitterbildungen bei Lepidopteren, von Dr. O. Nickerl. Drei neue österreichische Lepidopteren, von Dr. O. Staudinger.

Revue et Magasin de Zoologie, 1873, 5 (B). Monographie des espèces de Coléoptères du genre Erodius, Fab., par E. Allard. Description de nouveaux genres et de nouvelles espèces de Coléoptères Lamellicornes, par M. le Dr. D. Sharp.

Bullettino della Società Entomologica Italiana. Anno quinto (1873). Trim. I (4).

Degli Insetti. nocivi e dei loro parassiti, del Prof. C. Rondani. Notizie sulla Fauna lepidotterologica della Sicilia, da E. Ragusa. Materiali per la Fauna entomologica dell’isola di Sardegna, Coleotteri (continuazione), da P. Bargagli. Rhodocera Cleopatra L. erma-

frodita, da E. Ragusa. Lepidotteri nuovi per la Sicilia o per l'Europa, da A. Kalchberg. Microcoleotteri dei dintorno di Firenze, da F. Piccioli. Notozie intorno alla conservazione delle

collezioni entomologiche, da P. Stefanelli.

Stettiner Entomologische Zeitung. Jahrg. 33 (1872) (B). Atractouaster, nov. gen. Pimplidarum, aufgestellt von Dr. Kriech- baumer. Ueber Sphaetes crassicrus, von Dr. Kriechbaumer. Synonymische Miscellaneen, von Dr. Suffrian. Neue Micro- Lepidopteren, von C. T. Glitz. Bemerkungen über einige Grau- bündner Lepidoptern, von P. C. Zeller. Beschreibung einer neuen Paussus-Art aus Ost-Indien, Paussus Ludekingü, von Dr. S. C. Snellen van Vollenhoven. Revision der Tenthredo-Untergattung Allantus im Hartig’schen Sinne, von Dr. F. Rudow. Antheraca Gueinzii, eine neue Saturnide von Port Natal, beschrieben von Dr. O. Staudinger. Reisebriefe des Herrn Baron von Nolcken IV. Exotisches von C. A. Dobrn. Additions è la Mono- graphie des Trechus, par J. Putzeys. Lepidopterologische No- tizen von Dr. A. Speyer. Literarisches von G. Weymer: A synonymic catalogue of Diurnal Lepidoptera by W. F. Kirby. Beiträge zur Kenntniss der Arten des Genus Eupithecia Curt.,

BIBLIOTHEEK DER NED, ENT. VEREENIGING. LIX

von C. Dietze. Bericht über meine persische Reise vom Jahre 1871, von H. T. Christoph. Zwei neue Blattwespen, von Dr. F. Rudow. Asperula von C. A. Dohrn (Reminiscere IV). Insectenregen, von H. Burmeister. Ueher die Pompiliden und Sphegiden des La Plata-Gebietes, von H. Burmeister. Synony- mische uud systematische Bemerkungen von F. W. Mäklin. Hymenopterologische Beiträge von Dr. A. Gerstäcker. Lepido- pterologisches von Dr. Rössler. Beiträge zur Lepidopteren-Fauna Siciliens, von A. von Kalchberg. Lepidopterologische Notizen, von W. Heuacker. Ueber Heerwurms-Erscheinungen, von Th. Beling. Beschreibung eines Hermaphroditen von Aglia Tau L., von C. Dietze. Aus Napoli von C. A. Dohrn. Neue exo- tische Schmetterlinge, beschrieben von H. B. Möschler. Lepi- dopterologische Notiz, von Keferstein, Erebus Marquesi Plilippi, von C. A. Dohrn. Buprestidae Argentini, Uebersicht der Prachtkäfer des La Plata-Gebietes, von H. Burmeister. Schmet- terlinge mit Raupenkopf und ähnliche Missbildungen, von Dr. H. Hagen. Zur Entwickelung der Schmetterlinge nach dem Ver- lassen der Puppe von A. Kuwert. Die Hymenoptera Anthophila (Blumenwespen) des Unterharzes von Dr. F. Rudow. Gnophos pullata, var. nubilata, bestimmt und beschrieben von A. Fuchs. Untersuchungen über Sciaphila Wahlbomiana L. und verwandte Arten, von Dr. O. Hofmann. Linnaeana von C. A. Dohrn. Columbianer Arten der Gattungen Chilo, Crambus und Scoparia, beschrieben von P. C. Zeller. Europäisches von C. A. Dohrn.

Junij 1873. Newman’s Entomologist, 117 (June 1873) (4). Variety of Argynnis Lathonia (male), by E. Newman. Economy of Chalcidiae, and Characters of a few undescribed Species, by Fr. Walker. A List of the Butterflies inhabiting Jersey, with Notes of their Occurrence, by F. G. Piquet. Entomological Notes from South Australia, by H. Ramsay Cox. Notes on some Insects of Italy and of South France observed between the middle of May and the middle of July 1872, by Fr. Walker. Mountain Collecting in March, by C. S. Gregson. Description of the Larva of Ennomos angularia, by B. Lockeyer. Description of the Larva of Fidonia atomaria, by B. Lockeyer. Description of the Larva of Eudorea lineolalis, by C. S. Gregson. Descrip- tion of a Psychideous Larva, by C. S. Gregson. Description of the Larva of Grapholitha nisana L., by C. S. Gregson. Entomo- logical Notes, Captures, etc. Extracts from the Proceedings of the Entomological Society, February 17, 1873.

The Entomologist's Monthly Magazine, 109 (June 1873) (B). Description of a new genus and species of blind Coleoptera from Italy ,

LX BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING,

by D. Sharp. Notes on British Tortrices, by C. G. Barrett. On two new genera of Colydiidae from New Zealand, by T. Vernon

Wollaston. Description of a new species of Charaxes from Africa, by Herbert Druce. Notes on Heteromera, and Descriptions of new genera and species (n° 8), by F. Bates. Note on the

Carabideous genus Maraga Walker, ty Ch. O. Waterhouse. Notes on certain British Curculionidae, by E. C. Rye en andere kleine mededeelingen, On certain British Hemiptera-Homoptera , by John Scott.

Newman’s Zoologist, sec. series 93 (June, 1873) (B). A Visit to Corsica, by F. A. Walker.

Annals and Magazine of Natural History, 4th series 66 (June, 1873) (B). Note on the Appearance in Australia of the Danais Archippus, by F. M Coy. Descriptions of New Species of Fossorial Hyme- noptera in the Collection of the British Museum, by F. Smith.

Revue et Magasin de Zoologie, 1873, 6 (B). Monographie des espèces de Coléoptères du genre Erodius, Fabr. par E. Allard.

Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereines in Regensburg, 27ter Jahrg. 4 (B). Ueber entomologische Tagebücher von Dr. Kriechbaumer.

Annales des Sciences Naturelles, Zoologie, tome XVIT, 5 et 6; t. XVIII, 1 et 2 (B). Memoire sur des Crustacés rares ou nouveaux des côtes de France, par M. Hesse (22° article). Mémoire sur le développement des Aranéides, par M. Balbiani.

Album der Natuur voor 1872. (B).

Over de ziekte van den wijnstok in Frankrijk en de Phylloxera vas- tatrix, door S. C. Snellen van Vollenhoven. Iets over de na- tuurlijke geschiedenis van de Vloo, door C. Ritsema Cz. Een inval van houtluisjes, door C. Ritsema Cz.

Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Vol. I, 1 (A). Description of New North American Moths, by A. R. Grote. Catalogue of the Sphingidae of North America, by A. R. Grote. Catalogue of the Zygaenidae of North America, by A. R. Grote. Conclusions drawn from a study of the Genera Hypena and Her- minia, by A. R. Grote.

Transactions of the Entomological Society of London for 1872, part

4 and 5 (B). Notes on Part III of the Catalogue of British Insects published by the Entomological Society of London; Hymenoptera (Chrysididae ,

BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. Lxi

Ichneumonidae, Braconidae, and Evaniidae), by T. A. Marshall. Descriptions of new genera and species of Tenebrionidae, by F. Bates. Supplementary Note on the genus Acentropus, by J. W. Dunning. On the manner in which the ravages of the larvae of a Nematus, on Salix cinerea, are checked by Picromerus bidens L., by A. Miiller. Addenda, Delenda and Corrigenda in Mr. S. S. Saunders’ Monograph of the Stylopidae, with expla- nation of Plate VII illustrating that Article.

hunk veeel. Sabah Oe

ie Bale sue Le

VERSLAG

ZEVENDE WINTERVERGADERING

DER

NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,

GEHOUDEN TE LEIDEN

den 6 December 1873.

Voorzitter Mr. W. Albarda.

Met den Voorzitter zijn tegenwoordig de heeren Dr. Everts, N. H. de Graaf, Mr. Leesberg, Lodeesen, Dr. M. C. VerLoren, Maitland, Schmier de Poorter, Ritsema, Snellen, Mr. Snellen van Vollenhoven en van der Wulp.

De heeren Brants, Erbrink, Gordon, G. M. de Graaf, Heylaerts, Dr. van Hasselt, Baron Lewe van Middelstum, Dr. de Man, Ritzema Bos en Dr. van Rossum hebben zich om verschil- lende redenen wegens hunne afwezigheid verontschuldigd.

De Voorzitter opent de bijeenkomst met eene korte toespraak en geeft daarbij onder amderen eenige toelichtingen betreffende eene lijst, die door het Bestuur ter tafel is gebragt, en waarop inschrijving van vrijwillige bijdragen wordt verzocht, ten einde de kosten te dekken, verbonden aan eene betere plaatsing van de bibliotheek en de insectenverzameling der Vereeniging. Door al de tegenwoordig zijnde leden wordt met de meeste bereid- willigheid aan dit verzoek voldaan, zoodat aanvankelijk reeds voor f 95 ’sjaars en bovendien voor f 20 in eens is ingeschreven.

Hierna geeft de Voorzitter achtervolgens het woord aan de 5

LXIV VE RS L AG.

nagenoemde heeren, die eenige wetenschappelijke mededeeling wenschten te doen.

De heer Mr. A. F. A. Leesberg zegt, dat hij in Januarij van dit jaar bij den Haag onder de schors van een’ gevelden elzeboom een voor de inlandsche Fauna nieuw Coleopteron heeft gevonden, dat tot de Bostrichiden behoorde en geheel aan de beschrijving van Hylesinus vittatus F. scheen te beantwoorden. Op twee na, waren echter alle gevonden exemplaren dood. Onlangs ontving hij uit Breda een doosje, waarin zich een stukje Acacia-hout en verscheidene dozijnen levende Bostrichiden bevonden. Het bleek dezelfde soort te zijn als door hem vroeger was ontdekt, en omtrent de determinatie verviel alle twijfel, hoewel het sterk variëren in kleur (van lichtgeel tot donker- bruin) en bij sommige voorwerpen de volkomen gelijke beharing, zónder eenige teekening, aanvankelijk meer dan ééne soort zouden doen vermoeden, gelijk uit de vertoonde exemplaren blijkt. Spreker acht het merkwaardig, dat het harde Acacia-hout door zulk een klein insect wordt doorboord.

Dr. Ed. Everts vertoont een werkje over de Keverfauna van de kusten van Oost-Friesland en de eilanden Norderney en Juist, door Dr. Metzger te Norden in 1867 uitgegeven. Spreker merkt daarbij op, hoe van lieverlede al de echte duinbewoners, welke op die eilanden bekend zijn, ook bij ons worden aan- getroffen. Hij herinnert hoe in de laatste jaren als zoodanige vormen aangetroffen zijn Cillenum laterale Curt., Agabus con- spersus Marsh. , Anthicus bimaculatus Ill. en anderen, onder welke sommigen in niet gering aantal. Hij rekent het dus niet van belang ontbloot. de aandacht te vestigen op de werkelijk rijke duinfauna en vertrouwt dat het niet onwaarschijnlijk is, dat wij ook spoedig in onze Fauna dieren zullen kunnen aanwijzen als b.v. Hacmonia Curtisii Lac., welke reeds in genoemde Duit- sche streken is waargenomen. Opmerkelijk is het hoe Dr. Metzger reeds in 1867 meldt, dat Anthicus bimaculatus bekend is als bewoner van de Hollandsche kusten, dus twee jaar vóór dat

Va BA RI Se LA AVG! LXV

deze soort door Spreker, zoo hij meende voor het eerst, in ons land en later in aantal door den heer C. Ritsema Cz. op de Noordzee-eilanden werd aangetroffen.

De heer Snellen van Vollenhoven herinnert de leden dat hij bij zijne behandeling van de inlandsche Netwantsen in het 16° deel van het-Tijdschrift der Vereeniging twee larven heeft afgebeeld en beschreven, die hij meende dat tot die familie moesten geteld worden, ofschoon het hem onbekend was tot welke soort zij behoorden. Van eene daarvan had hij onlangs verscheidene individuen van den heer Snellen ontvangen, die op eene plant aangetroffen waren in gezelschap van hunne nymphen en imagines. Het volkomen insect nu, waartoe deze larve wel zonder twijfel behoort, is eene nieuwe soort voor onze Fauna en wel Monanthia vesiculifera Fieber. Voorwerpen van de soort met larven en nymphen worden door Spreker vertoond.

Ook deelt hij mede, dat hij dezen zomer van den heer C. Fransen Hz. te Rotterdam aangekocht heeft eene tamelijk groote verzameling van blad- en sluipwespen, meest uit de omstreken van Rotterdam, en dat hij bij aanvankelijke determinatie daarvan een vrij aanzienlijk aantal nieuwe soorten voor onze Fauna heeft gevonden ; ook hebben de vangsten van de heeren Six, Ritsema en Everts weder eenige nieuwe bijvoegselen tot de naamlijst der Ichneumoniden sensu Linnaeano geleverd. De voornaamsten dier nieuwe ontdekkingen vindt men in de hieronder volgende opgaaf:

Emphytus succinctus Klug. Fransen, Rott. 2 ex. Phyllotoma amaura Klug. Ritsema, Duifhuislaan 1 ex. Selandria brevicornis Klug. Fransen, Rott. 5 ex.

Macrophya n. sp. verwant aan Crassula. id. 1 ex. Tenthredo procera Klug. id. 18.

5 conspieua Klug. v. V., Ginneken. Ichneumon lineator Vill. Fransen , Rott.

pa bucculentus Wesm. Everts, den Haag 99. Hemiteles n. sp. rood met zwarten kop. Six, den Haag 2. Otenopelma n. sp. 2 ex. door Spreker ee uit Cimbex

Sorbi van Enschede.

LXVI VERSLAG.

Perilissus n. sp. Fransen, Rott.

Polyblastus cephalotes Grav. Binnen ’s huis te ’s Gravenhage, een 2 v. V.

Polyblastus mutabilis Hlmgr. Bij Leiden, Rits.

5 senilis Hlmgr. Op Walcheren, Wit.

Bassus cinctus Grav. biguttatus Grav. » __ pallipes. Bij Vianen, Everts.

Pimpla variegata Ratz. 2 22 uit harsbuilen van Oosterbeek, 25 Mei, de Graaf.

Polysphincta Drewsenii of discolor?

Clistopyga rufator Hlmgr.

Glypta consimilis Hlmgr. Fransen, Rott. » fronticornis Gray.

Schizopyga analis Gray.

Bi Rott., Fransen.

Meniscus murinus Gray. Ulvenhoutsche bosch, Piaget. Anomalon biguttatum Gravy. Fransen, Rott. Microgaster dimidiatus Wesm. id. ibid.

Homolobus discolor Wesm. Een 2 bij Rott. uit Alniaria op- gekweekt, Frans.

Agathis breviseta N. ab Es. Duin bij den Haag, Six. n Syngenesiae id. In Aug. aldaar, v. V.

Polemon Liparae Gir. Ulvenhoutsche bosch gevangen, v. V. Uit een rietstengel, daar gevonden, Rits.

Aglyptus Lindus Walk. Een gevleugeld ex. in Julij in het duin, Six.

Megastigmus Bohemanii Ratz. In de Scheveningsche boschjes, Junij, Six. Dryinus Spectrum n. sp. Een ongevl. ex. 5 Julij aan de

Vogelenzang, Rits. Chelogynus infeetus Hal. Ulvenhoutsche bosch, Rits.

brachycerus Dalm. Een 3 bij Utr., Six. -Goniozus claripennis Först. Een g bij den Haag, Six. Xenotoma autumnalis n. sp. Bij Driebergen in Oct., Six.

Pachymerus calcitrator Grav. staat in de lijst als gevangen door den heer Six bij Utr, Dit voorwerp is gevangen bij

V) Ey Re Ly Ay Ge LXVII

Alf aan de Moezel; doch 2 wijfjes dier soort werden bij Rott. aangetroffen door Fransen.

Onder de bladwespen had Spreker weder eenige voorwerpen aan- “getroffen met afwijkend aderbeloop in een of meer der vleugelen. Hij laat de twee belangrijksten dier curiosa rondgaan, namelijk eene Selandria serva met eene ader te veel in den regter voor- vleugel, zijnde een scheef dwarsadertje in de lancetvormige cel (Area lanceolata), waardoor dit voorwerp naar aanleiding van het aderbeloop aan de regterzijde zou moeten gebragt worden tot eene andere groep in het geslacht Selandria of tot het genus Eriocampa der nieuweren. Het andere voorwerp is een Tenthredo instabilis Kl. & met onverdeelde radiaalcel in beide voorvleugels, ten gevolge waarvan dit individu, naar het beloop der vleugel- aderen gedetermineerd in het geheel niet tot het geslacht Tenthredo maar tot de afdeeling van Hylotoma, Lophyrus, Cladius en Nematus zou moeten gebragt worden, waartegen alle overige ligchaamskenmerken strijden.

Voorts laat Spreker rondgaan een exemplaar der Dipterologische Bijdragen van wijlen den heer Doleschall, hem dezer dage uit Darmstadt ten geschenke toegezonden door den heer Baron von Rosenberg. De waarde van dit exemplaar wordt bijzonder ver- hoogd doordien bij de derde Bijdrage gevoegd zijn de oor- spronkelijke teekeningen van den schrijver; men weet dat wel bij de beide eersten, maar niet bij de laatste Bijdrage lithogra- phische platen naar zijne teekeningen behooren. Deze teekeningen bezitten veel meer kunstwaarde en de insecten zijn er veel kenbaarder op voorgesteld dan het geval is met de steendruk- platen der beide eerste Bijdragen.

Ten slotte deelt Spreker mede, dat de heer J. van Leeuwen Jr. uit Amsterdam hem in de laatste week eenige vrij belangrijke waarnemingen omtrent inlandsehe Lepidoptera had medegedeeld, waarvan hij er een nader vermeldt, als geschikt ter opname in het Tijdschrift. Zij heeft betrekking tot het verschil der haren op de wratjes van den rug der rupsen van Lithosia (Calligenia) rosea, waarvan de meesten lang, gevederd, sierlijk krom ge-

LXVIII VERS LI At G

4

bogen en geknopt zijn, terwijl er enkelen tusschen gevonden worden stijf, stekelig en doornig als die der meeste Bombyz- rupsen. Spreker laat ook de nette teekeningen van den heer van Leeuwen, die dit onderscheid ophelderen, ter bezigtiging rondgaan.

De heer Snellen brengt ter tafel een Coleopteron, in de maand Augustus laatstleden bij Rotterdam, aan het Kraling- sche veer gevangen door den heer Fransen. Dit insect, door den heer Ritsema gedetermineerd als Poecilaspis angulata Germ. zat daar op eene bloem van Heracleum sphondyleum. De soort behoort in Brazilië en Guyana te huis en hoe het voorwerp levend in Nederland kon voorkomen, blijft voor Spreker raad- selachtig, vooral daar de Schildkevers (Cassiden) waartoe het behoort, bladetende larven hebben en slechts korten tijd in den poppenstaat doorbrengen, terwijl het hem niet bekend is dat de volmaakte insecten lang leven ; ook is de vindplaats, bijna een uur gaans van de stad, ver verwijderd van de losplaatsen der zee- schepen. Het voorwerp dat iets kleiner en minder levendig gekleurd is dan de exemplaren op ’s Rijks Museum aanwezig, wordt thans aldaar bewaard met een etiquet, de vindplaats aanwijzende.

Indien het voorkomen van een exotisch insect op eene van Rotterdam eenigszins verwijderde plaats bevreemdend genoemd mag worden, zoo is het vinden in de stad zelve van insecten, die in andere werelddeelen te huis behooren, niet zulk eene geheel ongewone zaak. Spreker trof eens in zijne woning een gaaf voorwerp der Oost-Indische Asopia pictalis Curtis en het is hem ook bekend dat een exemplaar van de fraaïje boktor, af- gebeeld bij Rösel, Deel II Scarab. class. 2, pl. 1f.a, bla. 112, bij Rotterdam levend op een stapel Amerikaansch werkhout werd aangetroffen.

De heer Ritsema deelt in de eerste plaats eene waarneming

mede, door hem gedaan omtrent de levenswijze van het geslacht Zodion Latr.

Onder de insecten namelijk, door hem op de excursie van

VERSLAG LXIX

8 Junij dezes jaars in het Ulvenhoutsche bosch bij Breda ge- vangen, bevonden zich ook Hymenoptera aculeata, die bij het sorteren van de vangst in eene afzonderlijke doos werden ge- plaatst. In het begin van November deze doos weder ter hand nemende, viel zijn oog op een vliegje dat dood op den bodem lag, en dat zich niet in die doos bevond toen hij de Hyme- noptera daarin stak. Met behulp van Schiner’s Diptera van de Fauna Austriaca werd het door hem als Zodion cinereum Germ. bestemd. De verwantschap met de geslachten Conops, Physocephala en Myopa, welker larven, zoo als reeds lang bekend is, parasitisch in het achterlijf van geangelde Vliesvleugelige insecten (Bombus, Osmia, Chalicodoma, Andrena, Vespa, Odynerus, Pompilus, Sphex) leven, deed eene gelijksoortige levenswijze vermoeden, waarom hij de Hymenoptera uit genoemde doos een voor een naauwkeurig begon te onderzoeken. Weldra kreeg hij een vrouwelijk exem- plaar van Hylaeus quadristrigatus Latr. in handen, waarvan het achterlijf aan de regterzijde tusschen het eerste en tweede segment opengespleten was; voorzigtig maakte hij nu de vier laatste segmenten van het eerste los, waardoor een ledig tonnetje zigtbaar werd , dat het achterlijf geheel opvulde en zonder twijfel de bakermat geweest was van het vliegje, dat daaruit te voorschijn was gekomen na den dood van de bij. Daar tot dusver nog niets omtrent de levenswijze van het geslacht Zodion bekend schijnt te zijn, zal de mededeeling van deze waarneming welligt niet van belang ontbloot zijn.

Omtrent de levensperiode waarin het slagtoffer met het ei dezer vliegen bezet wordt, heerschen tweederlei meeningen; volgens de eene legt de vlieg haar ei in of op het volkomen insect; volgens de andere dringt de vlieg in de nesten harer slagtoffers (voor zoo ver bekend is steeds geangelde Vliesvleugelige insecten), om hier, hetzij larf hetzij pop, met haar ei te voor- zien. Voor de eerste meening pleit bv., dat een exemplaar van Conops auripes allerlei pogingen in het werk stelde om een hommel te beangstigen of bezig te houden, hetgeen, niettegenstaande dit niet scheen te gelukken, geschied kon zijn met het doel om daardoor gelegenheid te vinden den hommel een ei toe te ver-

LXX VERSLA G.

trouwen (zie Robineau Desvoidy in Comptes rendus de l’Académie de Paris, Année 1836, 2"° Sémestre p. 688), terwijl Léon Dufour mededeelt (Annales des Sciences naturelles, Janvier, 1837) dikwijls getuige te zijn geweest van den ijver waarmede Conops-exemplaren hommels vervolgden. De tweede meening verdient volgens Spreker evenwel de voorkeur, niet zoozeer omdat Lepeletier de Saint- Fargeau Conops-exemplaren in het nest van zekere wesp-(Vespa-) soorten heeft zien binnendringen (Encyclopédie méthodique, tom. X, p. 819), daar dit zeer goed om de in het nest aanwezige imagines kon plaats hebben, maar omdat Sichel eene Myopa heeft zien te voorschijn komen uit exemplaren van Vespa vulgaris L., die uit een nest waren opgekweekt, en dus niet als vol- komen insect maar wel als larf of pop met de moedervlieg in aanraking konden geweest zijn (Annales de la Société entomologique de France, 1856. Bulletin p. 63). Eene in 1865 door Spreker zelven gedane waarneming heeft hem in deze meening zeer versterkt. In den zomer van genoemd jaar had zich in zijnen tuin te Haarlem, achter een hoop bloempotten eene kolonie van Bombus lapidarius L. gevestigd. Van het midden van Augustus tot het begin van September lagen van tijd tot tijd in de onmid- dellijke nabijheid van het nest doode individuen, wier achterlijf geheel opgevuld was door een vliegenpopje. Deze popjes werden zorgvuldig door Spreker bewaard, doch hij verkreeg daaruit in Junij van het volgend jaar slechts een enkele en dan nog wel onvolkomen ontwikkelde Conops, die volgens den heer van der Wulp waarschijnlijk tot Physocephala pusilla Meig. behoorde. Indien nu de volkomen insecten door de Conopidae werden aangevallen, dan zou het zeer toevallig zijn dat juist de hommels van dit nest zoo veel van deze toch altijd zeldzame vliegen hebben te lijden gehad; veel aannemelijker is daarom de ver- onderstelling dat eene vlieg het nest is binnengedrongen en daar in verschillende cellen bare eijeren heeft gelegd.

In de tweede plaats deelt Spreker mede, dat hij zich genood- zaakt heeft gezien een afzonderlijk genus op te rigten voor twee soorten van Vliesvleugelige insecten, die tot dusver in het geslacht Stelis Panz, eene plaats gevonden hadden, n. 1. Selis

VERSLAG. LXXI

carbonaria Smith (Cat. Hym. Ins. Coll. Brit. Mus. prt II (1854) p. 275 n°9. 8 2) van Oost-Indië, Noordelijk Bengalen en Ceylon, en Stelis abdominalis Smith (Journ. Proceed. Linn. Soc. Zool. vol. III (1858) p. 7, 1. & 1) van Celebes. Waarschijnlijk behoort tot deze laatste soort het insect, dat door Lepeletier de Saint-Fargeau bedoeld wordt in de noot achter het geslacht Stelis op blz. 481 van het 10° deel (1825) van de Encyclopédie méthodique, alwaar genoemde schrijver zegt: „Nous possédons une espèce de l’île de Java, très-voisine de la Stélide rufiventre ,” en vermeldt Sichel haar in het supplement op de Saussure’s Verhandeling over de Hymenoptera der Novara-reis (p. 148) verkeerdelijk onder den naam van Anthidium rufiventre Latr. (Annales du Muséum d’ hist. nat. tom. 13 (1809) p. 234 26 pl. 1 fig. 7. 9), eene bij (door de St. Fargeau Stelis rufiventris genoemd), die zonder twijfel syno- niem is met Thynnus abdominalis F. (Ent. Syst. tom. II (1793) p- 245. 3. 2) uit Afrika afkomstig, waarvoor door Gerstaecker (Monatsberichte der Königl. Akad. der Wissensch. zu Berlin. Octbr. 1857) het geslacht Euaspis is opgerigt, en die ongeveer een jaar later door Fairmaire (Thomson, Archives entom. tom. II (1858) p- 266 pl. 10 fig. 5. 2) onder den naam van Dilobopeltis fuscipennis op nieuw beschreven en afgebeeld werd.

Naar aanleiding van de werkelijk treffende overeenkomst tusschen de soorten (vooral de wijfjes) van het geslacht Euaspis en die van het nieuw op te rigten geslacht, stelt Spreker voor dit laatste Parevaspis te noemen. Het geslacht Parevaspis ver- schilt van het geslacht Stelis, doordien de eerste geleding van de labiaalpalpen ongeveer driemaal zoo lang is als de tweede, terwijl bij Stelis het eerste lid een derde korter is dan het tweede; ook is bij de mannetjes van het geslacht Parevaspis de achterrand van het anaalsegment met 3 tandjes gewapend, bij Stelis echter niet getand maar afgerond. Van het geslacht Euaspis (in welks onmiddellijke nabijheid het evenwel geplaatst moet worden) onderscheidt het zich door den groveren bouw

1) Dit moet waarschijnlijk 9 zijn, daar er in de beschrijving niet gesproken wordt van de 3 tandjes die bij den 4 aan den achterrand van het anaalsegment voorkomen.

LXXII VE IS S t AG.

der monddeelen, doordien de tong (ligula) bijna geheel behaard en veel langer is dan de labiaalpalpen, terwijl zij ook de lens- vormige verdikking aan het eind mist, als ook door den vorm van het scutellum, die bovendien bij het nieuwe genus voor beide sexen dezelfde is. Van het geslacht Anthidium onder- scheidt het zich vooreerst door het gemis van de tot het meêvoeren van het stuifmeel dienende borstels aan de buik- zijde van het achterlijf, waarmede waarschijnlijk eene parasi- tische levenswijze in verband staat, en ten andere doordien de eerste geleding der labiaalpalpen ongeveer drie maal zoo lang is als de tweede, terwijl bij Anthidium de eerste een weinig korter is dan de tweede. In het beloop der vleugeladeren bieden deze geslachten geene standvastige verschillen aan.

Behalve de beide sexen van Parevaspis abdominalis Smith , afkomstig van de eilanden Java, Engano en Banca, bezit ’s Rijks Museum (P. carbonaria Smith is er niet vertegenwoor- digd) een wijfje van eene derde soort, uit Japan, die door Spreker Parevaspis basalis wordt genoemd en waarvan hij de volgende beschrijving geeft :

Wijfje. Lengte 14, vleugelspanning 27 mm. Kop en thorax zwart, zeer digt met grove puntjes bedekt; de voorrand van het kopschild en de zijden van het aangezigt wit behaard; tusschen de basis van de sprieten, die zwart zijn, een fijne kiel in den vorm van eene overeind staande stemvork. Het eenigszins over het eerste achterlijfs-segment uitstekende schildje bedekt met puntjes grover dan die van kop en thorax, de achterrand ter wederzijde gebruind, op het midden flaauw ingesneden; de tegulae zwart, langs de randen een weinig gebruind, digt met fijne puntjes bedekt. De vleugels gebruind, aan den wortel bijna helder, met min of meer violetachtigen goudglans voorzien; de vleugeladeren zwart. De pooten zwart of donkerbruin; de tarsen aan de onderzijde met korte roestbruine haartjes bedekt; de scheensporen lichtbruin; de klaauwtjes der tarsen aan den wortel licht, aan het eind donkerbruin, en op het midden van een tandje voorzien. Het achterlijf bijna onbehaard, steenrood van kleur met uitzondering van de eerste helft van het eerste

Vere RST AT Ga LXXII

segment die zwart is; de segmenten met grove puntjes bedekt (met uitzondering van een’ smallen gladden zoom langs den achterrand der vijf eerste segmenten), welke bestippeling aan de zijden digter is dan op het midden en naar het eind van het achterlijf digter wordt, zoodat het laatste segment het digtst daarmede bedekt is. Het laatste segment is voorts breed afge- rond, aan de zijden onregelmatig getand, de achterrand een weinig opgebogen en op het midden zeer flaauw ingesneden, welke insnijding zich over het midden van de rugvlakte als een bijna onmerkbare langskiel voortzet. De een weinig uitgeholde buikvlakte van het laatste segment is eenigszins toegespitst, met afgeronde zijden, aan wier basis een fijn tandje voorkomt; op het midden van de basis neemt men een naar achteren uit- gebogen dwarskiel waar.

Eindelijk, ten derde, vermeldt dezelfde Spreker (de heer Ritsema) nog het volgende, als eene bijdrage tot de kennis der synonymie van Pulex Talpae Curt. In the Zoological Record for 1870 zag hij op blz. 443, dat de heer Bold in the Natural History Transactions of Northumberland and Durham had medegedeeld, dat Pulex Talpae Curt. door hem te Cheviot (zuidelijke grens van Schotland) op eene veldmuis (Arvicola arvalis Pall.) gevangen was. Daar Spreker tot dusver deze vloosoort niet gezien had en zij volgens de beschrijving en afbeelding van Curtis (British Entomology, vol. III (1826) 114) na verwant moest zijn aan de door hem beschreven Pulex obtusiceps (Tijdschr. v. Entom. ser. dl. III. (1868) blz. 173 pl. 7) verzocht hij den heer Bold hem een of twee van zijne exemplaren te willen zenden, aan welk verzoek op de meest welwillende wijze werd voldaan. Bij onderzoek bleek echter dat de gezonden exemplaren volkomen beantwoordden aan de beschrijving van Pulex obtusiceps. Hij deelde zijne be- vinding aan den heer Bold mede, en verzocht kort daarop aan den heer Frederick Smith, Adsistent aan het Britsch Museum, om het typische exemplaar van Pulex Talpae, dat zich volgens Curtis in het Britsch Museum moest bevinden, ter onderzoek te mogen hebben. Eerst ontving hij hierop een brief van den heer Bold, waarin deze schreef dat de exemplaren, die hij ter

LXXIV VERS L AG.

vergelijking met de type naar Londen had opgezonden, en die geheel overeenkwamen met die welke hij aan Spreker had af- gestaan, terug waren gekomen met een schrijven van den heer C. O. Waterhouse, eveneens adsistent aan genoemd Museum, dat zij volkomen gelijk waren aan het door Curtis als Pulex Talpae beschreven exemplaar, hetgeen nog steeds het met de hand van Dr. Leach geschreven etiquet „Capt. in agris Battersea” droeg. Eenige dagen later ontving Spreker een brief van den heer Smith, waaruit bleek dat het Britsch Museum geene voorwerpen ter onderzoek verzendt, doch dat bevoegde beoordeelaars reeds hadden uitgemaakt (door middel van de exemplaren van den heer Bold) dat Spreker’s Pulex obtusiceps identisch is met Pulex Talpae Curt. Tot zijne verontschuldiging in zake dezer vermeerdering der synonymie, meent Spreker echter met grond te kunnen beweren, dat niemand uit Curtis’ beschrijving en afbeelding zijn Pulex obtusiceps zou hebben herkend, daar Curtis zegt: „Abdomen compressed, composed of several joints, the margins of which on the back and sides are ciliated with strong hairs”, terwijl dit slechts met het geheele eerste, en met de zijden van het 2% en segment het geval is. Deze vloosoort schijnt voornamelijk op de veldmuis (Arvicola arvalis Pall.), doch ook wel op de mol (Talpa europaea L.) te leven, en komt zoo ver Spreker bekend is voor in Engeland (eiland Sheppy, Battersea en Cheviot), in Neder- land (Haarlem, den Haag, Rhoon en Wassenaar), in Belgie (Forest en Brussel, volgens den heer Bouillon in de Annales de la So- ciété Entomologique Belge (1859) t. ILI. p. 187), in Pruissen (Berlijn, in de collectie van Dr. Fr. Stein aldaar) en in Fransch Zwitserland volgens dezelfde collectie. Waarschijnlijk zal later blijken dat Pulex Talpae Curt. behalve met Pulex obtusiceps Rits., ook synoniem is met Pulex terrestris Macq. (Annales des Sciences naturelles (1831) t. 22, p. 465) ja zelfs met Pulex gigas Kirby (Fauna Boreali- Americana, vol. IV (1837) p. 318. pl. VI fig. 9).

Als een voorbeeld hoe sommige dieren met zoogenaamd onge- dierte bezet kunnen zijn, vermeldt Spreker ten slotte nog, dat hij op den November Il. in de omstreken van Wassenaar eene veldmuis vond, die hem niet minder opleverde dan 9 exemplaren

VERS L AG. LXXV

van Pulex Talpae Curt., (waarvan het grootste wijfje 5,5 mm. lang was), 27 exemplaren van eene kleinere vloosoort, waarschijnlijk Ctenophthalmus bisseptemdentatus Kol., en 7 (waaronder 4 groote) exemplaren van eene /xodes-soort.

Eindelijk deelt de Voorzitter, Mr. W. Albarda, in substantie het volgende mede : 1°. In de te Haarlem gehouden zomervergadering bragt hij eenige harsbuilen uit Pinus sylvestris ter tafel, met larven van Tortrix resinella of resinana; het bleek hem toen dat hoewel deze Tortrix niet onder de zeldzaamheden behoort, hare ver- breiding hier te lande toch niet algemeen is; ook kwam zij toen in de bosschen in zijne nabuurschap zoo weinig voor, dat hij in een geheelen dag niet meer dan een zestal harsbuilen kon vinden en toch, zoowel bij Ratzeburg in zijne Forstinsecten als bij Harris Insects noxious to vegetation, komt zij als schadelijk voor. De ondervinding heeft nu doen zien dat zij ook bij ons werkelijk nu en dan als zoodanig optreedt. In dezelfde bosschen in de Baronie van Breda, waar een paar jaren geleden slechts enkele harsbuilen werden gevonden, zou het nu niet moeijelijk zijn op een dag eenige honderden te verzamelen, en hij meent hierop de aandacht te moeten vestigen, omdat de rups, hoe klein ook, twee jaren leeft en dus twee jaren den groei der boomen op eene ernstige wijze belemmert. De eïjeren toch worden gelegd aan den voet van de jonge spruit; de rups tast die aan en dringt tot op het merg door: van daar de harsuitstorting, die haar tevens tot beschutting dient, maar zeer ten nadeele van den groei der Pinus sylvestris is. Hoewel de rups in het tweede jaar zich in April verpopt, schijnt zij toch tegen dien tijd nog te vreten, daar er veel harsbuilen worden gevonden waarbij jongere harslagen de eerstgevormden bedekken. 2°. In die zelfde vergadering is door Dr. Snellen van Vollen- hoven ter sprake gebragt de sedert eenige jaren op Java heer- schende ziekte in de theeheesters, waarvan destijds insecten werden beschuldigd, die hem ter determinatie waren toegezonden , doch in zoodanig gepulverden toestand dat aan determineren

LXXVI VvE RS L.A G

. niet te denken viel. Spreker heeft toen op zich genomen nadere berigten hieromtrent in te winnen, doeh tot vóór eenigen tijd hoorde hij van de zaak niets meer. In dit najaar evenwel werd hem door een belanghebbende een opstel toegezonden dat over de theeziekte handelt en geteekend is door den heer C. Meyboom te Tjoemboelout op Java, 25 Maart 1873. Daaruit blijkt dat de ziekte op Java niet alleen voortduurt. maar in hevigheid toeneemt, zoodat onder anderen eene plantage, die ongeveer 200.000 pd. thee jaarlijks opbragt, nu niet meer dan 40.000 levert; het blijkt tevens dat men langs alle kanten proeven heeft genomen om de oorzaak der kwaal te vinden, en als het ware ex absurdo contrario tot de meening is teruggekomen dat de oorzaak der ziekte aan insecten moet worden toegeschreven, maar aan welke? De beschrijving van die insecten is zoo onbepaald dat daaruit niet eens is op te maken tot welke orde zij behooren. Ook schijnt de schrijver nog altijd bij het toeschrijven der oorzaak aan een insect, tevens van oordeel te zijn dat een zekere roest of fungus bij deze ziekte in het spel is.

Toen men Spreker dus vroeg zich met een onderzoek der ziekte te belasten, was zijn eerste beding geweest om door overzending van gezonde en aangetaste takken en bladeren der theeheesters, alsmede van de verdachte insecten, hunne larven en eijeren, alles op spiritus, in staat te worden gesteld den toestand zelven te leeren kennen, en hij heeft voor eenige dagen berigt ontvangen dat deze voorwerpen eerstdaags zullen worden afgezonden; hij hoopt dus in eene volgende vergadering meer omtrent de voor Java zoo noodlottige ziekte te kunnen mededeelen.

Daar niemand verder het woord verlangt, wordt de vergade- ring door den Voorzitter met een woord van dankbetuiging aan de verschillende sprekers gesloten,

Den volgenden dag bragten de aanwezige leden nog eenige aangename en leerzame oogenblikken door in de insecten-galerij van ’s Rijks Museum en in de bibliotheek der Vereeniging.

OPGAVE

DER

GEOMETRINA ex PYRALIDINA,

IN NIEUW GRANADA en op St. THOMAS en JAMAICA, VERZAMELD DOOR W. Baron VON NOLCKEN, met beschrijving en afbeelding der nieuwe soorten

DOOP

P. C. T. SNELLEN.

Eerste Afdeeling: GEOMETRINA.

De door den heer van Nolcken in 1870 en 1871 naar Zuid- Amerika ondernomen entomologische reis, al moge zij ook door verhinderende omstandigheden en hare ontijdige afbre- king niet die resultaten gehad hebben, welke hij en anderen daarvan verwachtten, kan daarom nog geenszins eene mislukte reis genoemd worden. Wanneer ik toeh bij de door mij be- werkte familiën der Geometrina en Pyralidina onder 101 soorten der eersten 73 nieuwe vind en onder 83 Pyraliden 42 onbe- schreven, benevens een aantal nieuwe genera, dan, dunkt mij, is er, de korte tijd waarin verzameld werd in aanmerking genomen, integendeel wel eenige reden tot tevredenheid, en getuigt het ontdekken van zoovele onbekende soorten voor het welbesteden van den tijd,

De Geometrina zijn naar Guenée gerangschikt zonder eenige noemenswaardige verandering. Ik heb in deze familie geene

nieuwe genera gevormd, doch getracht om door zoo naauw- 1

9 OPGAVE DER GEOMETRINA EN PYRALIDINA.

keurig mogelijke beschrijving mijner nieuwe soorten het eenen lateren bewerker der Spanners doenlijk te maken om haar in zijn systeem de juiste plaats aan te wijzen. Met hetzelfde doel heb ik ook van reeds bekende soorten, waar dit noodig was, de nervuur beschreven of opgegeven tot welke der door Herrich-Schäffer in zijne Ææotische Schmetterlinge gekarakteri- seerde Geometrinen-genera zij behooren.

Wat de Pyraliden betreft, zoo heb ik mij geheel en strikt aan Lederer gehouden en overal nieuwe genera gevormd waar dit naar zijne analytische tabel noodig was, terwijl ik het noodige vermeld om die nieuwe genera in de tabel te kunnen invoegen. Ik heb dit gedaan, hoewel mij de gebreken in Lederers ove- rigens meesterlijke behandeling (op eenige van welke ook nog Herrich-Schäffer wijst, zie Corr. Bl. des Zool. Min. Vereins, 1871, p 15) niet ontgaan waren, maar eene betere classificatie der familie wist ik niet te’ maken, en ik houd het in het belang der wetenschap voor raadzaam om, zoo men voor eene familie een bruikbaar systeem bezit, er niet aan te veranderen; hier wat afbrekende, daar zonder vast plan bijbouwende, in één woord, het misvormende, waardoor tevens ons eigen werk voor anderen moeijelijk te gebruiken wordt. Het is integendeel ver- kieslijk, wanneer men een over het geheel doelmatig gebouw bezit, het aan te nemen en te bezigen zoo als het is en, zoo het vergroot moet worden, naar het plan van den stichter te werken dan, dikwijls uit eigenliefde, het te bederven. Ge- makkelijker is het toch ook hier om, even als de heer Dohrn van Schönherr's Classificatie der Curculioniden zegt !) het ge- brekkige „hie und da in frappanten Beispielen nachzuweisen, dann um für die ungeheure Armee eine neue Kaserne zu bauen.”

Het genus Scoparia zal men bij de Pyralidina missen; dit is reeds door Professor Zeller in de Stettiner Ent. Zeitung, 1872 p. 463—481, behandeld.

1) Stett. Eut. Zeitung, 1866 p: 168, bij de aankondiging van Lacordaire’s VII° deel der Genera des Coleoptères.

VAN NIEUW GRANADA ENZ. 5

Al de nieuwe soorten zijn afgebeeld, de Geometrinen door den heer A. J. Wendel te Leiden, de Pyraliden naar teeke- ningen, die de heer Brants de goedheid had voor mij te ver- vaardigen. Om de kostbaarheid en het tijdroovende van het kleuren geef ik de afbeeldingen in het Tijdschrift ongekleurd, doch zal een zeker aantal gekleurde exemplaren laten vervaar- digen, die ik bij den heer Nijhoff, uitgever van het Tijdschrift voor Entomologie, met afdrukken van den tekst verkrijgbaar zal stellen. .

Eene verklaring van de verschillende nummers en opgaven, die op de vangplaatsen betrekking hebben, laat ik voorafgaan. Ik geef deze zoo als ik haar van den heer von Nolcken ont- ving en verwijs overigens naar zijne Reisebriefe, die in de Stettiner Entomologische Zeitung van 1871 het licht zagen. Typen der nieuwe soorten bewaar ik in mijne collectie.

Onder het determineeren der vlinders is het mij gebleken, dat de merkwaardigste en schoonste Pyraliden gevangen zijn op de beide Westindische eilanden St. Thomas en Jamaica en gedurende de reis langs de Rio Magdalena en dus in de warme streken. De omstreken van Bogatà hebben er minder opge- leverd, en daaronder zijn er verscheidene die, even als de rondom die hooggelegene stad gevangen Geometrinen, aan de europesche fauna herinneren.

Merkwaardig komt het mij voor, dat onder al de Geometrinen niet eene enkele is, die ik ook uit Azie, Afrika of Europa ken; slechts een paar (Hyperythra versaliharia en Acidalia subnictata) hebben naauwe verwanten in Azie. Daarentegen komen van de Pyraliden de volgende soorten ook in de drie genoemde werelddeelen voor : |

Stenopleryx hybridalis, Siriocauta testulalis ,

Hedylepla vulgalis, Zinckema recurvalis , Omiodes leporalis, » perspectalis , Terastia meticulosalis , Synclera traductalis.

Rotterdam, 1 Februarij 1873. i | | N P. C. T. SNELLEN.

> ©” m

© CO IJ GO xl À

10 11 12 15 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26

GEOMETRIN A.

Fam. I. URAPTERYGIDAE.

Urapteryx Politia Cr. Saturniaria H.S. N histrionaria H.S. Ripula Mahometaria H.S. Sabulodes arenularia m.

" glaucularia m. Oxydia vulpecularia H.S. Hypenariata m.

Hypopyrata m.

Fam. IT. ENNOMIDAF.

Apicia prostypata m. » Phibalaria m. w plebejata m.

Epione Bogotaia m.

Hyperythra versatiliaria Gn.

Heterolocha Rumiaria Go. 4 apricaria H.S.

Perusia sulphurata m.

v tenerata 7.

citrinata m. Leucula flavilinguaria ».

» ablinearia Gn. Tetracis Brantsiata m. Azelina Nolckeniata m.

7 caninata Gn. Odontopera Bistonaria m. Crocallis tropicaria m,

| |

Fam. V. BOARMIDAE.

27 Boarmia muscinaria m.

28 7 fuscolimbaria m.

29 elongaria m. 30 u Odysiata m. 31 » agnataria m.

Fam. VII. GEOMETRIDAE.

32 Geometra Iridaria Gn.

33 Dyspteris legitimaria Gn. 34 Racheospila leucoceraria m. 35 7

rufidorsaria m. Fam. VIII. MEcocERIDAE. 36 Mecoceras Nitocris Cram.

Fam. IX. PALYADAE.

81 Palyas fimbriaria Cram. 38 w 39 Ophthalmophora Formosanta

prospectata =.

Cram. 40 Ophthalmophora Lyonetaria m.

Fam. X. EPHYRIDAK.

41 Zonosoma (Ephyra Gn.) conspi- cillaria m. 42 Zonosoma (Ephyra Gn.) oliva- ria m.

GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA, ENZ. 5

Fam. XI. AcIDALIDAE, Fam. XX. LARENTIDAE. 43 Cambogia heliadaria Gn. 10 Eupithecia rubigata =. 44 7 adimaria m. 11 " indefinata m. 45 u sagittaria m. 12 vermiculata m. 46 " Hyriata m. 13 Rhopalodes patrata m. 41 apyraria Gn. 74 Scordylia Atalantata Gn. 48 Asthena subcrocearia m. 75 v Hippomenata m. 49 " relaxata m. 16 7 gratulata Gn. 50 Acidalia thalassinata m. 11 a fluminata m. ala computaria m. 18 Z dıspilata m. 52 » chlorosata m. 19 monospilata #2. 53 ow convictorata 7. 80 a ambiguata m. 54 » collustrata m. 81 chrysopterata #. 55 ow leuculata m. 82 Phibalapteryx lutulentata m. 56 » perlimbata m. 83 Z effluata m. Die subnictata m. 84 Scotosia cunctata m. 85 pallivittata m. Fam. XII. Micronipas. 86 VT afirmata Cn 58 Falcinodes Gonodontaria m. 87 Cidaria combustaria H. S. 59 la suggillaria m. 88 » subguttaria H.S. 60 Erosia Ochodontaria m. 89 eircumeidata m. 61 » nigrocapitata m. 20 » Emmelesiata m. 62 » pauxillata m. ou 7 morbosata m. 92 Psaliodes flavagata Gn. Fam. XIII. CABERIDAE. 93 » paleata Gn. 94 ".. oereata m.

PA DEIR si 95 Opisogonia Herrichiata #. 46 7 circumvallaria 7. Fam. XXI. EUBOLIDAE. Fam. XIV. MACARIDAE. 96 Eubolia Momaria m. 65 Macaria rigidata Gn. 97 » fulgnrata m. > Ne Fam. XXII. SIONIDAE, 67 adrasata m.

98 Terenodes puncticulata Gn. _ Fam. XV. FIDONIDAE. Fam. XXIV. ERATEINIDAE.

ee Con etste im: 99 Melanoptilon H. S. (Trochiodes

Fam. XVII. ZERENIDAE. Gn.) Emplociaria #. 100 Melanoptilon timidaria H.S,

69 Pantherodes colubraria Gn. 101 suavaria m.

VERKLARING VAN DE NUMMERS EN AANTEEKENINGEN WELKE DE VINDPLAATSEN AANDUIDEN.

N°, 20. Von einem Indier gekauft der sie nach seiner (wenig zuverlässigen) Angabe bei seiner Wohnung bei Barro Blanco (7750 Eng. Fuss über dem Meere) gefangen hat. Diese so wie andere Höhenangaben habe ich selbst mit einem Höhenmesser, Aneroïd-Barometer van R. J. Becke, Cornhill 31 London, vom 13—18 Mai 1871, gemessen und sie sind bis auf etwa 100’ richtig. Die Wohnung des Indiers liegt auf einer kleinen Lichtung der mit Urwald bedeckten bergigen Gegend. Barro Blanco liegt

. am Wege zwischen Bogotà und Tusagasuga.

N°. 22. Diese N°. bezieht sich in meinen Notizen auf Säcke einer Tinee die ich in Tusagasuga an den Wänden meines Absteige-Quartiers am 16 April 1871 fand; ich vermuthe daher hier ein Versehen, doch ist es möglich dass ich (um nicht zu viele N.N. zu haben) auch noch andere gleichzeitig dort gefangene Thiere mit derselben N°. versehen habe.

N°. 24. Alle mit dieser N°. bezeichneten Thiere sind am 17 April 1871 bei Hato gefangen. Der Ort liegt circa 5000 Eng. Fuss hoch.

N°. 27. Sind am 19 April 1871 bei Pandi (3650 hoch) und auf dem Wege zur berühmten Naturbrücke (3000) gefangen. Die Gegend ist bergig, dirr, nur in der Nähe der Brücke ist die Vegetation üppiger.

N°.

NE

NS

N°.

N°.

N°.

N°:

NO.

NT

N°.

GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA, ENZ. 7

30. Am 21 April 1871 bei Jopal (Hütte am wegezwischen Pandi und Cundai 3500’) wo ich Nachtquartier gehalten hatte und früh am Morgen in und zwischen dem lich- ten Gebüsche sammelte.

31. Am 21 April, kurz vor der Ankunft in Cundai im Laubgebusch am Wege gefangen.

32. Am 22 April 1871 auf einem Tanque (Etablissement zur Production von Indigo) etwa eine Stunde Weges von Cundai (2100) und in dem angrenzenden Hochwalde gefangen; das meiste aber auf den für die Indigopflanzung gehauenen Lichtungen.

34. Wie N°. 32, aber vom 23 bis 28 April gefangen, meistens durch Johann und meinen Indischen Jäger.

39. Angeblich zwischen Barro Blanco und Tusagasuga gefangen.

41. Wurden von Johann am Abend des 23 März 1871 gefangen bei dem früheren Convento de San Diego (dicht bei Bogotà) und ungefähr in gleicher Höhe mit demselben (8850) am Fusse der Cordiellera del Oriente; es sind dort viele einzelne Häuser, Gärtchen und auch leere dürre Plätze.

49. Auf derselben Stelle, fast wie 41, bei Las Nieves, nur etwas höher wo es noch dürrer war von 5—7 Uhr Abends durch Johann gefangen.

52. Am Fusse der Bogotà umgebenden Berge, etwa 100— 200’ höher als die Stadt bei schönem Wetter um die Mittagszeit gesammelt.

54. Am 7 Juni 1871 bei Soachà (8803’) auf der Llanero (Ebene) von Bogotà, am Abend nach Untergang der Sonne; flogen auf einem sandigen, dürren Weideplätze.

55. Am 8 Juni 1871 auf dem Almuerzadero. (Frühstücks-

8 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,

platz) 8350’, am Salto del Tequendama bei Tage ge- fangen; bei Chipo (8800) auf einer Viehweide mit niedrigem Rasen.

N°. 56. Am 8 Juni bei Chipo 8900 Fuss hoch gefangen. Der Ort ist eine Rancho auf einer Lichtung im Urwalde.

N°. 62. Flogen am Abend des 6 Juni in Bogotà zum Licht.

N°. 63. Sind von einem Indier von Mitte Mai bis Anfang Juni in der Gegend von Anolaima (Höhe mir unbekannt) gesammelt worden, nach seiner unzuverlässigen Angabe.

N°. 64. Angeblich zwischen dem 4'* und 11'* Juni bei Barro Blanco.

N°. 65. Am 16 Juni Abends in Bogotà zum Lichte.

N°. 77. Hier vermuthe ich abermals ein Versehen. Meine Notiz lautet: Noch immer zahlreich aber meist verflogen bei Bogotà 22 März 1871.

Auf St. Thomas sammelte ich auf den diirren Hiigeln am Hafen am 17 December 1870.

Kingston bezieht sich nicht blos auf die nächste Umgegend der Stadt, ich sammelte auch in etwa 2 wegstunden Entfernung im Innern auf Mono Estate.

Von 18 bis 28 Januar bezeichnen die Notizen die am Mag- dalena-Fluss gelegenen Orte an denen der Dampfer anhielt und die meisten Thiere kamen in der Dunkelheit zum Licht auf dem Dampfer und viele fand ich des Morgens friih in ver- schiedenen Winkeln sitzen.

Honda liegt 653’ über dem Meere; also fast ebenso viel (oder genauer etwa 30’ weniger) beträgt der Fall des Rio Magdelena von dort bis zum Meere, die dazwischen liegenden Orte die auf den Etiquets verzeichnet sind heissen, von unten zu Berg: Calamàr, Sambrano, Bocca del Rosario, Puerto de Ocana, Yondo, La Dorada, Mochila, Conejo und zuletzt Honda von wo die Landreise nach Bogotà beginnt,

ST. THOMAS EN JAMAICA. 9

Cucqueta, eine Hacienda 7200’ hoch; doch sammelte ich in der Umgegend bis zur Höhe von 8300’.

Muro; ein Ort in der Nahe der Smaragd-Gruben, soll 3000’ hoch liegen und die Gegend ein feuchtwarmes Clima haben. Selbst bin ich nicht da gewesen; ich habe die mit diesem Namen bezeichneten Thiere von einem Indier gekauft der be- hauptete sie dort gesammelt zu haben.

Ubaque, kleiner Ort 6400’ durch den Paramo de Cruz verde (11600’) von Bogotà getrennt. Paramos heissen die Bergre- gionen van 3500 Meter bis zur Schneeregion hinauf.

De exemplaren zonder aanduiding van vangplaats zijn meerendeels van Indianen gekocht en waarschijnlijk in de bosch- rijke streek tusschen Barro Blanco (7750 voet) en Tusagasuga (6230 voet) gevangen.

GEOMETRIN A.

(PHALENIDAE GUENEE.)

FAMILIA I, URAPTERYGIDAE GUENEE. Genus UrAPTERYX Leach.

IT.

1 Politia. Cramer, pl. 139, fig. E. Politiata, Guenée, IX p. 30.

Een gaaf mannetje met N°. 63 gemerkt en een zonder aanduiding van vangplaats.

Ook volgens Herrich-Schäffer is deze soort eene Urapterya, doch de sprieten zijn niet naakt, zoo als bij Sambucaria, maar kort behaard. Van onze Europeesche soort wijkt deze vlinder nog verder af, door dat alleen ader 11 der voor- vleugels door 12 doorsneden wordt en 3 en 4 der achter- vleugels uit een punt komen; ook is de voorvleugelpunt stomper.

Guenée zegt dat de achterpooten aan de zeer dikke scheenen eene aanzienlijke pluim van zwarte haren hebben; dit is waar, doch deze pluim is bij doode exemplaren van Politia gewoonlijk zorgvuldig in den poot verborgen; o. a. bij mijn Columbiaansch exemplaar waar slechts twee of drie haren er van zigtbaar zijn. Zoo iets heeft dikwijls plaats en zoo kan de aanwezigheid van zulk eene pluim aan de achterscheenen die door den eenen geconstateerd is, door een’ ander geloochend worden; bij vlinders met verdikte achterscheenen waar dergelijke sieraden beschreven worden, zal men dus wel doen met zeer naauwkeurig te onderzoeken.

GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA, ENZ. 11

VI.

2 Saturniaria Herr. Sch., Exot., fig. 414. Guenée, IX, p. 31, (door hem naar H. Sch. beschreven.) Een afgevlogen wijfje, dat ik naar de schoone afbeelding “kan determineeren ; naar Herrich-Schiffer’s anal. tabel der Geometrinen-genera was mij dit niet mogelijk geweest, daar ik het mannetje niet bezit. De achtervleugels zijn bij deze soort niet gestaart, maar alleen hoekig op ader 4. In de voorvleugels zijn ader 7—10 gesteeld, 11 wordt niet door 12 doorsneden en is zeer lang; ader 3 en 4 der achter- vleugels komen uit één punt. De vangplaats is niet opgegeven.

3 Histrionaria Herr. Sch., Exot., f. 71, 72. . Twee beschadigde exemplaren, mannetje en wijfje, gemerkt »Cucqueta.”

Deze soort, welke in natura aan Guenée onbekend bleef, doch die hij naar de schoone afbeeldingen van Herrich- Schiffer wel had kunnen invoegen en beschrijven, is naar den laatsten eene Urapteryx. Zij heeft naakte sprieten, de achtervleugels hebben aan den afgeronden achterrand op ader 4 slechts eenen korten tand, in de voorvleugels is ader 11 lang en geheel vrij, 7—-10 zijn gesteeld, ader 3 en 4 der achtervleugels ver van elkander verwijderd.

Genus Rieuta Guenée.

4 Mahometaria Herr, Sch.

Een gaaf mannetje, zonder aanduiding van vangplaats. Het genus Sericoptera van Herrich-Schäffer is hetzelfde als Ripula van Guenée. Het onderscheid tusschen Urapteryx en Sericoptera is gering en bepaalt zich bij de sprieten van . het mannetje, die bij Mahometaria gekamd zijn met draad- vormig puntderde en bij eene kleine bogt in den achtterrand

der voorvleugels welke bij Urapteryx ontbreekt.

12 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,

Genus SARULODES Guenée.

5 Arenularia m. nov. spec,

Als angulatis, non dentatis ; palpis capite via longioribus. Dilute ochracea, parce grisescenti-fusco adspersa; alae anteriores duabus seriebus punctarum ferruginosarum

et tribus lineis grises, posteriores una punctarum serie et lineis duabus 4.

Drie gave mannetjes, 35—40 mm. PI. 1 f. 1.

Onder de slecht gekarakteriseerde genera die vooral de eerste en tweede familie van Guenée’s Phalenidae kenmer- ken, is het genus Sabulodes nog het best geschikt tot op- name dezer onbeschreven soort. Naar Herrich-Schäffer is zij eene zuivere Microgoma, verwant aan zijne Rhodaria, fig. 348. Arenularia behoort door de hoekige, ongetande vleugels tot de tweede groep van Guenée en onderscheidt zich van de beide daarin geplaatste soorten door de palpen welke slechts zeer weinig voor den kop uitsteken en door de grijsgele zandkleur. In teekening komt zij overigens vrij wel met Exhonorata Guenée overeen.

Palpen weinig langer dan de doorsnede der oogen, regt uitstekend, smal; het korte, duidelijke eindlid iets hangend. Zuiger lang. Voorhoofd met afgeronde beharing, grijsgeel. Sprieten lang, vrij dik, uiterst kort behaard, bruingrijs, de rug van den schaft aan den wortel geelwit. Thorax vrij dik fijn wollig behaard, grijsgeel even als de bovenzijde der vleugels die met fijne bruingrijze schubben zeer gelijkmatig bestrooid zijn; tegen den achterrand zijn deze een weinig digter. Op de voorvleugels ziet men drie flaauwe donker grijze dwarsstrepen; eene flaauw gebogen op een derde, eene ongebogene in het midden en eene fijne flaauw getande derde, die bij de vleugelpunt begint en aan den binnenrand zich met de tweede vereenigt; dwarsader met een flaauw donker streepje. De achtervleugels hebben eene voortzetting van de tweede en derde streep der voorvleugels; ook hier loopen zij aan den binnenrand in een punt uit. De derde

ST. THOMAS EN JAMAICA, 13

dwarsstreep heeft op al de aderen fijne roestbruine stippen; de eerste streep der voorvleugels vertoont er twee, op de midden- en binnenrandsader. Franje eenkleurig met den achterrand. Achterlijf geelgrijs, tegen de punt en in de zijden gaat de kleur over in het roomkleurige of iets roodachtige wit der onderzijde. Hier is de donkere bestui- ving op de achtervleugels dunner; op de voorvleugels heeft zij zich opgehoopt op de voorrandshelft en vooral aan de punt tegen eene rij van donkerbruine stippen, die op £ van den voorrand begint en het beloop van den achtterrand volgt, doch regelmatig gebogen is. Middenvlek der voor- vleugels duidelijk. Franje met donkerbruine stippen op de adereinden. Dijen behaard, scheenen en tarsen glad be- schubd, de dikkere achterscheenen met 4 sporen. De voor- pooten zijn aan de voorzijde donker bruin, de overigen fijn bruin gestippeld. Ader 3 en 4 der voor- en achter- en 6 en 7 der achtervleugels zijn van elkander verwijderd; in de voorvleugels zijn 7—10 gesteeld, 10 en 11 worden door de voorrandsader (ader 12) doorsneden.

Een der exemplaren is den 12” Mei 1871 te Bogotà ge: vangen, de anderen zijn met 62 en 65 gemerkt.

6 Glaucularia m. nov. spec.

Alis angulatis, non dentatis ; palpis capite via longioribus ; facie e fusco grisea. Supra dilute grisea, fusco adspersa, alis serie punctarum fuscarum variae magmtudinis.

Een iets afgevlogen mannetje van 40 mm., PI. 1, f. 2,

Eveneens gebouwd en geaderd als de voorgaande soort en zich dus mede door de kortere palpen van £xhonorata en Caberata Guenée onderscheidende. Voorhoofd en onder- zijde der sprieten grijsbruin, hunne rugzijde vuil paars- achtig licht grijs, als de geheele bovenkant van den vlinder. Deze is aan den wortel en langs den voorrand der voor- vleugels, aan den binnenrand der achtervleugels en langs het beloop van eene donkerbruine stippenrij op drie vierden donkergrijs gewolkt. Deze rij stippen is iets geslingerd en

14 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,

sommigen harer zijn grooter dan de anderen; vooral eene op de binnenrandsader der voorvleugels. Op een derde der voorvleugels ziet men eene donkere stip op de middenader en eene op de binnenrandsader; ook de dwarsader der voorvleugels draagt eene donkere stip. Eene middenstreep, zoo als bij de voorgaande soort, is hier niet aanwezig. De onderzijde der vleugels is paarsachtig grijswit, geheel en al geteekend als bij Arenularia. Franje onder en boven met donkere stippen op de adereinden. Achterlijf bijzonder slank en tot aan den binnenrandshoek der achtervleugels komende. Pooten als bij Arenularia.

Het exemplaar heeft geene aanduiding van vangplaats.

Genus Oxypra Guenée.

Hoewel de sprieten bij de beide onbeschreven soorten die ik tot dit genus breng gebaard zijn en Guenée in zijne opgave der hoofdkenmerken zegt: „antennes sans ciliation”, vind ik toch onder de verwante genera er geen, dat beter tot de opname geschikt is. Beiden behooren naar teekening en vleugelvorm tot de eerste groep Naar Herrich-Schäffer is de eerste soort eene Microsemia, doeh de sprieten zijn niet tot aan de spits gebaard. Ook de tweede behoort wel tot dat genus, maar daar van de sprieten slechts één rudiment is overgebleven, ben ik dienaangaande meer in het onzekere. Kleur en teekening van beide soorten herinneren aan het Noctuinen-genus Hypenaria.

7 Vulyecularia Herr. Sch., Guenée.

Een gaaf mannetje; op het laatst der reis gevangen. Komt goed met Herrich-Schäffer en Guenée overeen.

8 Hypenariata m. nov. spec.

Antennis barbatis; supra lutea, fusco adspersa, vitia obliqua subincurvata fusca, extus flavomarginata, punctis discoidalibus mgris, in alis posticis dilutioribus ; subtus cerea limbo infuscato.

Twee gave mannetjes van 32 en 37 mm. PI. 1, £ 3,

ST. THOMAS EN JAMAICA. 15

Palpen weinig langer dan de kop, half zoo breed als de oogen, plat, met kort stomp eindlid. Zuiger lang. Voor- hoofd zonder kuif. Sprieten iets meer dan half zoo lang als de. voorvleugels, tot drie vierden gebaard, aan de spits gekerfd. Voorrand der voorvleugels zeer vlak, hun achter- rand met eene ronde bogt. Achterrand der achtervleugels op ader 4 iets hoekig. Bovenzijde leemkleurig bruingrijs, aan het begin van de franjehelft der vleugels iets tot het okergele overgaande en met fijne bruine schrapjes en stofjes vooral tegen den voorrand der voorvleugels. Aderbeloop fijn geel, duidelijk. Voor- en achtervleugels met eene fijne zwarte stip op de dwarsader. De teekening bestaat uit eene op de middenader en in cel gebrokene fijne donkerbruine dwarslijn op een derde der voorvleugels en eene zeer scherpe donkerbruine, franjewaarts bleekgeel afgezette booglijn, die even onder de voorvleugelpunt begint, in cel 7 der achtervleugels afgebroken is en op het midden van hunnen binnenrand uitloopt. Bij het kleinere, ook iets meer geelachtige exemplaar, ziet men in cel 3 en 5 der voor- vleugels twee zwartgrijze vlekjes. Achterlijf slank, met gewelfden rug, iets korter dan de achtervleugels.

Onderzijde bleek wasgeel, grof donker gesprenkeld, voor den achterrand eerst grijsbruin, dan smaller helder licht

groenachtig grijs. Middenpunten als boven en de voorvleugels met eene onder den voorrand omgebogen donkerbruine dwarslijn, die zich tegen den binnenrand verliest. Achter- scheenen verdikt met 4 sporen. Ader 6 en 7 der achter- vleugels en 3 en 4 van voor- en achtervleugels niet uit een punt; 7—10 der voorvleugels EL 10 en 11 or “de voorrandsader doorsneden. De exemplaren zijn met n°. 63 gemerkt.

9 Hypopyrata m. nov. spec.

Een mannetje, gaaf en onbeschadigd van vleugels, doch zonder pooten en slechts met een kort stompje der sprieten ; dit is duidelijk gebaard. 32 mm. Pl. 1, f. 4.

16

GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,

Antennis barbatis; alae supra luteae fusco adspersae praesertim costam versus flavescentem, linea obliqua fulva, punctis discoidalibus migris, in alis posters majoribus et macula migra prope apicem; subtus ex aurantiaco ochraceae.

De voorrand der voorvleugels is wat gebogen en de hoek der achtervleugels op ader 4 uiterst flaauw; overigens zijn bouw en aderstelsel zoo als bij de voorgaande soort.

Grondkleur der bovenzijde lichtgrijs, fijn zwart gespren- keld, langs den geelachtigen voorrand der voorvleugels het meest. Middenpunten zeer dik zwart, vooral op de achter- vleugels; ook aan de voorvleugelpunt ziet men eene groote zwarte stip bij eene kleine donkerbruine, fijngeel gedeelde bestuiving. Op een derde der voorvleugels bevindt zich eene in de middencel stomp gebroken en daaronder zeer schuine, geslingerde eerste dwarslijn, die wortelwaarts iets lichter grijs dan de grondkleur, franjewaarts bruinachtig is. Tweede dwarslijn of booglijn onder de voorvleugelpunt beginnende, op de voorvleugels geheel ongebogen, op de achtervleugels een weinig gebogen als om het middenpunt te vermijden. Deze lijn is niet getand maar bij iedere ader een weinig ongelijk, als of zij daar bij het trekken tegengehouden was. Hare kleur is oranjebruin en zij is franjewaarts scherp licht okergeel afgezet. Franje wat geeler dan de vleugel met donkere wortelhelft. Onderzijde warm okergeel, grof zwart gesprenkeld, met dikke middenpunten en op de voorvleugels met eene donkerbruine lijn van ader 1 tot 7. Franjelijn dik donkergrijs; voorvleugelpunt lichtgrijs be- stoven. Het achterlijf schijnt aangezet, ik beschrijf het dus niet.

Het voorwerp is met n°. 63 gemerkt.

st THOMAS EN JAMAICA. 17

FAMILIA II, ENNOMIDAE GUENEE. Genus Apicia Guenée.

10 Prostypata m. nov. sp.

Antennae crassae, nudae; frons tumida. Alae anteriores in apice et ad venam acute dentatae, posteriores incurvalae et in angulo anali acutae, omnes violascenti- griseae, flavo tinctae, linea transversa prima ad costam nigra, secunda albescente prope apicem bis dentata, punchs tribus nigris Juxla illus dentes.

Een gaaf mannetje van 30 mm. vlugt. PI. 1, f. 5.

Ofschoon vleugelvorm en teekening deze soort tot Apicia verwijzen, is het weder voornamelijk door de dikke, draad- vormige sprieten zonder zigtbare beharing, dat zij tegen de overige kenmerken zondigt. Ook puilt het voorhoofd vrij sterk rond uit. Palpen tweemaal zoo lang als de kop, een derde smaller dan de oogen, schuins opgerigt, met kort, duidelijk eindlid, grijsgeel, zwart gesprenkeld. Zuiger lang. Vleugelvorm tusschen dien van Trifilaria H. S. Exot. f. 337 en Jaspidaria Guenée in; de achtervleugels met vrij duidelijken staarthoek ; grondkleur der bovenzijde paarsachtig grijs, de wortelhelft der vleugels, vooral tegen den voorrand der voorvleugels met okergeel gemengd; voorts is de ge- heele grond met oagelijke koolzwarte stippen besprenkeld, langs de wortelhelft van den voorvleugelvoorrand met bruingrijze schrapjes. Middenstippen der voorvleugels bruin, die der achtervleugels zwart. Eerste dwarslijn der voor- vleugels op een derde rond gebogen, op de aderen wortel- waarts getand, grijs, het gedeelte onder den voorrand zwart, en gevormd op de wijze waarop men eenen vliegenden vogel voorstelt. Tweede dwarslijn zeer fijn, even voor de voorvleugelpunt beginnende, daaronder met twee tandjes; in deze en aan den oorsprong der lijn drie bruin bescha- duwde zwarte stippen. Deze dwarslijn is op de voorvleugels ongebogen en aan de aderen wat verdikt, op de achter-

2

18

GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,

vleugels flaauw gebogen, fijn getand en hare kleur is wit, beiderzijds donkergrijs afgezet. Franje donkerbruin met vuilwitte spits. Onder is de kleur meer bruin, op achter- vleugels en aan voorvleugelpunt met witgrijs gemengd, de

dwarslijnen donker, die der achtervleugels tegen den bin-

nenrand duidelijker. Franje met zwarte stippen op de ader- einden. Grof en zwart gespikkeld zijn ook de pooten, vooral de iets verdikte achterpooten, zelfs op hunne 4 sporen. Aderstelsel als bij de beide boven beschreven Oxydia-soorten.

Naar Herrich-Sehäffer is deze soort eene zuivere Microgoma. Het exemplaar is met n°. 63 gemerkt.

11 Phibalaria m. nov. sp. Pl. 1, fig. 6.

Frons plana. Alae anteriores apice aculae, postervores angulo anali expanso, omnes ex rufo furfuraceae, fascüs rectis parallelis et lineis infuscatis, uti Phi-

balapteryx. 2

Een vrij gaaf wijfje van 24 mm. vlugt. Door den vleugelvorm het naast aan Trifilaria H.S. Exot. f. 337 verwant; de teekening herinnert mede daaraan en nog meer aan de soorten van Guenée’s genus Phibalapteryx. Ook doet de vlinder denken aan het Noetuinen-genus Acropteris Hbn. (zie Tijdschr. v. Ent. Serie VII p. 69).

Voorhoofd vlak. Sprieten dun, draadvormig. Palpen als bij de voorgaande soort. Zuiger opgerold. Schedel witgrijs. Grond der bovenzijde eene iets roodachtige zemelkleur die tegen den achterrand bruinachtig, aan de vleugelwortels dun zwart besprenkeld is.. De teekening der voorvleugels bestaat uit eene fijne donkere eerste dwarslijn, eene breedere middenschaduw en eene fijne witte, wortelwaarts donker- bruin, franjewaarts donkergrijs afgezette tweede dwarslijn. De dwarslijnen zijn parallel, de middenschaduw staat iets digter bij de tweede dan bij de eerste en convergeert er tegen den binnenrand mede; allen zijn zij eerst onder den voorrand duidelijk. Middenpunt fijn, op de spits der eerste dwarslijn staande.

ST. THOMAS EN JAMAICA. 19

Achtervleugels met eene parallelle middenschaduw en tweede dwarslijn; de eerste over eene zwarte middenstip loopende. Voor den achterrand ziet men nog eene fijne bleekere lijn in de donkere bestuiving.

Onderzijde sterk fijn zwart bestoven, voor de franjelijn grijs, op de adereinden met zwarte stippen. Booglijn dik, bruingrijs. Achterpooten met vier sporen.

Naar Herrich-Schäffer is deze soort waarschijnlijk eene Microsemia, doeh bij gebrek aan een mannetje is dit niet stellig uit te maken. Het aderstelsel is als bij de voor- gaande drie soorten en het voorwerp den 1** April 1871 bij Cuequeta gevangen.

12 Plebejata In. Roy. sp, EL ont.

Frons plana. Alae anteriores apice acutae, posteriores omnino rolundalae, omnes fusco-cinerascentes; in ante- moribus duae lineae transversales ochraceae, fusco limbatae, in posterioribus una; in apice punctae tres albae, nigrolimbatae. $

Een vrij gaaf mannetje van 24 mm. vlugt.

Bij de slechte karakteristiek van Guenée’s Geometrinen- genera en ook bij de vlugtigheid van Herrich-Schäffer’s behandeling zijner tabel is het niet gemakkelijk mijne nieuwe soorten behoorlijk te plaatsen. Naar Herrich- Schäffer is de tegenwoordige soort eene zuivere Acrosemia. na verwant aan zijne Vilaria, f. 336. Hij zet echter laatstgenoemde in zijn genus Cratoptera, hoewel de vleu- gelpunt volstrekt niet omgebogen is. Daarentegen zien wij in zijn genus Acrosemia soorten met zeer duidelijk sikkelvormige voorvleugelspits.

Ik zal trachten om door zorgvuldige beschrijving en door de afbeelding van den vlinder het aan eenen lateren bearbeider der Geometrina mogelijk te maken mijne Ple- bejata op de regte plaats in het systeem te brengen.

Sprieten draadvormig, uiterst kort behaard. Palpen een weinig korter dan de kop, smaller dan de helft der oogen,

20

GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,

spits, duidelijk opgerigt, glad beschubd. Voorhoofd een klein weinig uitpuilende. Voorvleugels met gebogen voor- rand en steilen achterrand; achtervleugels geheel afgerond, het slanke achterlijf een weinig langer dan de laatsten. Grondkleur bruingrijs met fijne lichtere kerfjes. Eerste dwarslijn der voorvleugels steil, flaauw gebogen; tweede bij ader 6 der voorvleugels beginnende en zeer scherp en ongebogen naar het midden van den binnenrand der ach- tervleugels loopende; kleur van beiden okergeel, de tweede wortelwaarts fijn lichtbruin afgezet. Franje okergeel , franje- lijn bruin. In de voorvleugelpunt drie fijne witte, zwart afgezette stippen.

Onderzijde bleek okergeel, tegen den achterrand bruin- grijs bestoven, aan de punt der achtervleugels het sterkst. Aderbeloop geheel als bij de voorgaande vier soorten.

Achterscheenen iets verdikt, met vier sporen.

Het voorwerp draagt geene aanduiding van vangplaats.

Genus Erıone Dup.

15 Bogotata m. nov. Sp.

Thorax et ulae anteriores aurato-flavae rufobrunneo adspersae, liners duabus transversalibus atris, poste- riores silaceae, omnes subtus infuscatae. à

Een gaaf mannetje van 29 mm. vlugt. Pl. 1, fig. 8.

Naar den habitus kan deze soort zeer geschikt in Guenée’s genus Epione komen, doch naar Herrich-Schiffer’s tabel is zij eene Microgoma, evenwel zeer afwijkende van de overige soorten door den overal iets getanden achterrand der vleu- gels. Eigenlijk vormt zij een nieuw genus bij Perusia Herr.-Sch.

Palpen niet langer dan de kop, regtuitstekend, stomp gepunt; lid 1 met grove haren, de overigen glad beschubd. Glad beschubd is ook het gezigt, de bekleeding van thorax een weinig grover. Zuiger duidelijk. Sprieten korter dan de halve voorrand der voorvleugels, draadvormig, bijna naakt. Voorvleugel-voorrand aan den wortel sterk gebogen,

ST. THOMAS EN JAMAICA. 21

naar de scherpe punt iets gezwaaid, de achterrand op ader 4 met uitstekenden tand. Achtervleugels met gelijk- matig afgeronde punt en achterrand. Aderbeloop op voor- en achtervleugels zeer fijn en scherp, donker aangeduid.

Kop, thorax en voorvleugels hebben een goudgelen grond, die echter geheel, en wel zeer digt, met fijne licht- bruine dwarsschrapjes bedekt is, terwijl het laatste derde, achter de hoekige scherpe zwartbruine tweede dwarslijn, als met een bruin vernis is overtogen, zoodat de goudgele grond alleen aan de vleugelpunt boven komt. Eerste dwarslijn, op één derde, geheel ongebogen, iets schuin, mede zeer scherp zwartbruin, wortelwaarts iets vervloeijend. Dwarsader met een bruin streepje, eene bruine stip ziet men ook aan den wortel van cel 1°, witte schubben aan den voorrand achter de tweede lijn en fijne blaauwwitte stippen op de aderen aan de afgewende zijden der dwars- lijnen. Franjelijn fijn bruin; franje geelbruin. Achtervleugels grijsgeel, bleekpaars bestoven; van deze kleur zijn ook eene fijne middenmaan; eene geslingerde booglijn, de franje lijn en de franje. Het slanke achterlijf grijsgeel. Onderzijde geheel als boven, maar zwaar bruin berookt. Pooten glad- beschubd, gewoon gespoord; de achterscheenen iets dikker.

Ader 7—10 der voorvleugels gesteeld, 10 en 11 door 12 doorsneden, 3 en 4 in de achtervleugels, buitendien ook 6 en 7, van elkander verwijderd.

Het exemplaar is met n°. 20 gemerkt.

Genus HyperyvTHRA Guenée.

14 Versatiliaria Guenée.

Een wijfje, den 28°" Januarij 1871 bij Honda aan de Rio Magdalena gevangen.

De kenmerken van het genus (dat overigens hetzelfde is als Herrich-Schäffer’s genus Acroleuca) zijn door Guenée zeer goed beschreven, behalve, als altijd, het aderstelsel, waarvoor hij een schrik schijnt te hebben, zoodat hij er zich steeds met een paar woorden afmaakt.

22 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,

Ader 3 met 4 en 6 met 7 komen in de achtervleugels uit één punt; 3 en 4 der voorvleugels ontspringen afzonderlijk, 1—10 zijn gesteeld, 10 en 11 worden met door 12 door- sneden. Dit is ook zoo bij de Oostindische Hyperythra lutea Cramer (Limbolaria Guenée).

Genus HerERoLocHA Lederer, Guenée.

Dit goed gekarakteriseerde Genus neemt Herrich-Schäffer in zijne tabel niet op. De vlinders naar die tabel bestemmende, komt men op het genus Melrocampa, waarvan zij zich echter door velerlei onderscheiden. Heterolocha is na aan Ruma ver- want, zoo als Lederer reeds opmerkte. Van de vleugeladeren zegt hij: „so weit sich ohne Abschupping ausnehmen lassen, wie bei Rumia’. Zij verschillen echter daarvan doordat Ruma eigenlijk maar 11 aderen in de voorvleugels heeft, 11 zou als een kort takje uit 10 komen, ik zie het echter bij geen mijner exemplaren. Bij Heterolocha zijn er 12, en men kan aannemen dat 10 en 11 door 12 worden doorsneden. Bij Rumia raakt ader 12 de voorgaande ader (11) niet. Verder is de voorrand der voorvleugels bij Rumia vlak, bij Heterolocha sterk gebogen.

Ik ontving twee soorten:

15 Bumiaria Guenée.

Vier gave mannetjes, gemerkt met n°. 62 en 65.

Mijne voorwerpen wijken in verschillende kleinigheden van Guenée’s beschrijving af. Zoo komt de tweede dwarslijn der voorvleugels niet uit eene bruine voorrandsvlek, maar die lijn is tegen den voorrand gevorkt; een der twee takken (de buitenste) ontbreekt zelfs bij een stuk bijna geheel. Bij hetzelfde stuk ontbreekt ook de roestkleurige vlek op den binnenrand onder aan die lin. Verder is bij mijne exemplaren de snede van den voorvleugelvoorrand wit, de dwarslijn der achtervleugels op ader 4 gebroken, het aderbeloop der voorvleugels min of meer roestkleurig, vooral bij de dwarslijnen, waardoor de tweede duidelijk op de aderen getand wordt, en ziet men nog eene flaauwe,

ST. THOMAS EN JAMAICA. 23

getande, grijze golflijn voor den achtterrand. De palpen, een dwarsstreepje over het gezigt, een dergelijk over den halskraag en bestuiving onder aan de sprietschaft zijn donkerbruin. Onder zijn de voorvleugels langs den voor- rand bruingrijs bestoven. Ik geloof niet dat deze verschillen een specifiek onderscheid aanduiden, hoogstens is dit een sexueel; Guenée toch had slechts één wijfje van zijne Rumiaria.

16 Apricaria Herr.-Sch., f. 363.

Een wijfje, dat iets grooter is dan Herrich-Schäffer’s figuur, zonder aanduiding van vangplaats. De teekening is meer zoo als Guenée die bij zijne Aumiarıa beschrijft, maar de randstippen zijn even duidelijk als op de aange- haalde afbeelding.

Genus Perusia Herr. Sch.

Dit door Herrich-Schäffer zeer goed gekaraktariseerde genus, hetwelk Guenée vergeten heeft, staat ongetwijfeld het best tusschen Heterolocha en Rumia en is aan beiden na verwant. Met Heterolocha heeft Perusia den gebogen voorrand der voor- vleugels gemeen, doch onderscheidt zich van beide genoemden door den tengeren bouw, door de verschillende (geel en wit) gekleurde voor- en achtervleugels, door dat, bij 11 aderen. der voorvleugels (10 ontbreekt) 11 door 12 wordt door- sneden. 3 en 4, en 6 en 7 der achtervleugels en 3 en 4 der voorvleugels staan ver uiteen. De sprieten zijn genoegzaam naakt, draadvormig, de palpen kort, de zuiger opgerold, de pooten gewoon gevormd en gespoord, glad beschubd.

Van dit genus heeft Baron van Nolcken drie soorten ver- zameld, die ik allen voor nieuw en verschillend van Praecisaria

moet houden, De vier species onderscheiden zich als volgt :

I. De okergele voorvleugels tot aan de eerste, in cel 1b wortelwaarts gebogen zwarte dwarslijn donkerbruin; tweede

24 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,

dwarslijn, geslingerd, dik, donkerbruin, 20 tam Cy E Et Prnecisama Er Sch.

II. Wortel- en middenveld der voorvleugels eenkleurig; tweede dwarslijn of stip- penrij met ééne, regelmatige wortel waartsche bogt.

A. Eerste dwarslijn der bleek zwavelgele voorvleugels zeer schuin, franjewaarts gebogen, op een vierde van den voor- rand beginnende, voorbij de helft van den binnenrand uitkomende; tweede op drie vierden van den voorrand begin- nende; beiden flaauw, bruingrijs, zon- der zwarte stippen; onder alleen de wortel van den voorvleugelvoorrand grijs bestoven, 23 mm. (8). . . . . Su/phurata n. sp.

B. Eerste dwarslijn of stippenrij der voor- vleugels ongebogen, aan den voorrand op een derde beginnende, aan den binnenrand vóór de helft uitkomende, tweede op vier vijfden ; onder de geheele voorrand der voorvleugels grijs bestoven.

1. Voorvleugels bleek zwavelgeel, 19—21 mim: (ds) ah IE tite Of Beasstlienerotain.ısp: 2. Voorvleugels citroengeel, 22—24 mm. COL REN OLIE EES RSR Cilrinata n. sp. 17 Sulphurata m. Pl. 1, f. 9.

Alae anteriores dilute sulphureae costa flava, linea trans- versali prima oblique incurvala, altera a margine posteriori remota.

Kop, thorax en voorvleugels eenkleurig, gezigt echter iets witter; geene donkere schrapjes op den voorrand, noch roestkleur bij het begin der tweede lijn.

Een gaaf wijfje, den 19° Maart 1871 te Bogotà gevangen.

ST. THOMAS EN JAMAICA. 25

18 Tenerata m. Pl. 1, f. 10. Alae anteriores dilute sulphureae, serie prima punetarum ferruginosarum recta , secunda incurvata , prope accedente ad marginem posteriorem.

Vijf exemplaren waarbij een gaaf paar.

De geheele kop bleeker dan thorax en voorvleugels, deze bij de mannetjes met in het midden fijn witten, vrij sterk douker gestippelden voorrand; eerste dwarslijn uiterst flaauw, bij de mannetjes met stippen op de hoofdaderen ; tweede bij dezelfde sekse aan den voorrand roestkleurig en met nog zulk een takje in de vleugelpunt benevens met donkerbruine stippen op al de aderen.

Een wijfje den 11° Februarij, een den 22°" Maart en een man den 6” Junij bij Bogotà, de andere exemplaren onge- teekend.

19 Citrinata m. Pl. 2, f. 1.

Alae anteriores citrinae, serie prima punctarum ferrugino- sarum recta, altera incurvata ad marginem posleriorem adpropinquante.

Een gaaf paar.

Het levendigst gekleurd van de vier, het mannetje zelf naar het goudgele overhellende. Kop, halskraag en wortels der schouderdeksels wit. Voorrand der voorvleugels bij beide seksen op de snede wit, aldaar donker gestippeld en ook bij beiden op de plaats der eerste dwarslijn drie, op die der tweede 7—8 zwarte stippen. Bij het mannetje is de eerste dwarslijn nog door drie vlekjes van helder roodbruine en witte schubben aangeduid, de tweede geheel helder roodbruin en de zwarte stippen met wit afgezet, aan den voorrand is die lijn gevorkt, de wortelwaartsche tak rond gebogen, wit afgezet, de grond tusschen beide takken roodbruin. Bij het wijfje ziet men slechts enkele roodbruine schubben aan de vleugelpunt. |

Het mannetje den 14” Februarij 1871 bij Bogotà gevan- gen, het wijfje met n°. 20 gemerkt.

26 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,

Genus Leucuta Guenée.

Dit genus is bij Herrich-Schäffer niet in zijne tabel opge- nomen, waarschijnlijk omdat hij geene exemplaren ter onder- zoeking had. Het zoude bij hem tusschen zijne genera Cabira en Fidonia komen. Van beiden is het door de aan den wortel gebogene en verdikte binnenrandsader der voorvleugels onder- scheiden; voorts hebben die zelfde vleugels een onbeschubd groefje aan den wortel van cel en is ook de binnenrand der middencel aldaar iets gebogen.

De ligchaamsdeelen zijn bij Guenée goed beschreven; ik zou er echter nog bijvoegen, dat de zuiger duidelijk spiraalvormig is, de achterpooten, bij de anderen vergeleken, vrij dik zijn, en alles glad beschubd is. Wat de vleugeladeren aangaat zoo heeft eene van de twee soorten die ik ontving (Mlavilinguaria) 12 aderen in de voorvleugels, 10 en 11 komen beiden uit de middelcel en worden door 12 doorsneden. Om al te omslag- tige beschrijvingen te vermijden noem ik dit zoo. Naauw- keurig beschouwd is echter de toestand anders. 10 en 11 komen wel uit de middencel, maar stwten eigenlijk op 12, waaruit een weinig voor of voorbij 10 en 11 dan twee sprankjes komen, die in den voorrand uitloopen. 12 is verder door een horizontaal sprankje met 9 verbonden. De toestand dezer aderen is bij alle Dendrometrina HS. met dunnere ader 5 der achtervleugels, waar ader 12 eenige aderen snijdt, alzoo. De andere soort (Ablinearia) heeft 11 aderen en alleen ader 11 wordt doorsneden; 7—9 zijn bij beiden gesteeld, 3 en 4 (ook in de achtervleugels) bijna half zoo ver van elkander verwijderd als 2 van 3; 6 en 7 der achtervleugels komen bijna uit een punt, 5 is verdwenen, 8 zeer duidelijk vrij. Het genus kon overigens wel in tweeën worden verdeeld. Het opgegeven verschil in de vleugeladeren, waarbij nog een in den vorm der achtervleugels en een in de mannelijke sprieten komt, zoude daartoe wel wettigen. Tiresiaria Guenée is waarschijnlijk eene verwante van Flavilinguaria; Cillenaria van Ablinearia.

ST. THOMAS EN JAMAICA. 27

20 Flavilinguaria m.

Twee mannetjes, waarvan een zeer gaaf.

Ik hield deze soort eerst voor Empusaria Guenee, doch ook de voorhelft van den thorax is okergeel, de eerste dwars- lijn der voorvleugels staat op een derde, de tweede op drie vierden, die der op ader 4 iets hoekige achtervleugels zich juist daarbij aansluitende. Zuiger even geel als de kop. Sprieten tot aan de punt gebaard, de schaft wit, de baar- den met roestgele punten. Wanneer men Guenée’s beschrij- ving en mijne aanvulling met zijne afbeelding vergelijkt, zal men moeten bekennen dat deze laatste verregaand onnaauwkeurig is of dat wij hier met eene naverwante, onderscheidene soort te doen hebben, die Mlavilinguaria kon heeten.

De exemplaren zijn zonder aanduiding van plaats of tijd. 21 Ablinearia Guenée.

Zeven mannetjes, meest gaaf.

Even als bij Flavilinguaria is ook de voorhelft van den thorax geel, verder is de geheele voorrand der voorvleugels zwartgrijs, aan den wortel haarfijn, verder tot bijna 1 mm. verbreed, aan de vleugelpunt nog weinig smaller. Van de aderen is eigenlijk alleen de binnenrandsader der voor- vleugels in het midden-gedeelte grijs. Achterrand der achtervleugels geheel afgerond. Sprieten met ongebaarde spits, de schaft alleen aan den wortel wit, overigens zwart als de baarden. Borst en heupstukken van alle pooten okergeel, de voorpooten buitenwaarts geheel zwart, van de middenpooten de scheenen en tarsen zwart, de dijen wit; achterpooten wit met zwartgrijze voetzolen.

De voorwerpen variëeren niet en zijn op 24 en 25 Januarij 1871 bij La Dorada en Conejo aan de Rio Magdalena gevangen.

Genus Terracis Guenée.

Het is alleen tot behulp dat ik de volgende soort in dit genus van Guenée huisvest, want in vleugelvorm wijkt zij niet

28 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,

onbelangrijk van de door hem beschrevene soorten af. Met Azelina heeft zij ook eenige verwantschap, doch de achtterrand der voor- vleugels is van den punt tot den grooten tand in het midden geheel effen, zonder de twee kleinere tandjes, die een vereischte zijn van Azelina. Naar Herrich-Schäffer’s tabel zoude de vlinder een nieuw genus moeten vormen bij Pero (Azelina Gn).

22 Brantsiata m. nov. sp. Pl. 2, f. 2.

Alae e rufogriseo, dilute fusco ct glauco marmoratae, anteriores ecphora nasiformi in vena 4°, posteriores mamillaeform in eadem vena, primae subtus coeruleo- griseae versus marginem posticum.

Een gaaf mannetje van 36 mm. vlugt.

Sprieten en palpen als bij de voorgaande soort, het voor- hoofd zonder kuif. Lijf slank, kort behaard Voorrand der voorvleugels gebogen, hun achterrand op ader 4 met een tand, de achterand in cel 2 en 3 flaauw uitgesneden , binnen- randshoek duidelijk. Achtervleugels met duidelijke punt en staarthoek, de achterrand op ader 4 hoekig, aldaar met lange, afgeronde punt, overigens op alle aderen fijn getand. Bovenzijde bleek roodgrijs, het donkerst op de voorrands- helft der voorvleugels, deze met twee flaauwe, hoekig geslingerde, bleek blaauwachtig groene dwarslijnen, eene flaauwe bruine schaduwlijn, die zich in cel i en 2 tot de tweede dwarslijn verbreidt en bleek groen en bruingrijs gewolkt franjeveld. Achtervleugels slechts met eene flaauwe groengrijze dwarsstreep. Bovenzijde overigens fijn donker ge- sprenkeld. Franje donkerbruin met grijze punt. Onder zijn de kleuren als boven aangelegd, doch het groenachtige werd blaauwgrijs; men ziet eene stomp kegelvormige lichte vlek aan den binnenrandshoek der voorvleugels en deze hebben eene op ader 7 scherp gebroken, schuine donkerbruine dwarslijn. Ader 3 en 4, en 6 en 7 der achtervleugels ge- noegzaam uit een punt, 3 en 4 der voorvleugels verder uit een, 6—9 gesteeld en de dwarsader boven ader 5 ongebogen; 12 doorsnijdt 10 en 11. ij

ST. THOMAS EN JAMAICA. 29

Achterpooten ontbreken; de overigen gewoon gevormd, glad beschubd.

Het exemplaar heeft geene aanduiding van vangplaats of tijd.

Genus AzeLINA Guenée.

23 Nolckeniata m. nov. sp. Pl. 2, f. 3.

Corticeo-fusea, viridi adspersa, alis anterioribus post venam tertiam ter incisis, thorace et alarum basi lanuginosis, libiis anterioribus cretaceo-maculatis.

Een zeer gaaf mannetje van 45 mm. vlugt.

Sprieten genoegzaam naakt, draadvormig, roodachtig wit. Zuiger lang, palpen anderhalfmaal zoo lang als de oogen, schuin opgerigt, glad beschubd, met zeer kort, horizontaal eindlid, zich bij eene kegelvormige voorhoofdskuif aanslui- tende. Kop en vooral de thorax dik en fijn wollig behaard; ook de rug van het achterlijf en de vleugelwortels zijn met ongewoon vele fijne lange haren bezet. Vleugels met eene neusvormige punt op ader 3, de achterrand in cel 2 uitgesneden, voorrand der voorvleugels vlak. Grondkleur der bovenzijde schorskleurig bruin, op thorax en vleugel- wortels en ook langs den fijn roodachtig wit gevlekten voorrand der voorvleugels fijn mosgroen bestoven, de laatsten met 2 fijne, geslingerde, mosgroene dwarslijnen, eene zwarte stip op de middenader en een schuin donkerbruin schaduw- streepje daarboven aan den voorrand. Achtervleugels met eene donkerbruine op ader 2 gebroken dwarslijn. Onder- zijde helderder, meer roodbruin, ook mosgroen bestoven, met overal op ader 2 gebroken franjewaarts vervloeijende, roodachtig, witte boogstreep, donkere middenpunten, op de voorvleugels met een donker, geslingerd streepje er onder in eel 2, op achtervleugels met eene regte donkere lijn er voor. Voorvleugels met eene witte schimmelvlek, bij den rand van cel 2 een fijn wit lijntje bij de punt cel

30 GEOMETRINA VAN NIEUW GRANADA,

bleeker, vuilwit. Franje roodbruin. Borst en dijen der overigens glad beschubde, gewoon gevormde en gespoorde pocten fijn wollig behaard; voor- en middenscheenen met 3 helderwitte vlekken.

Ader 3 en 4 en 6 en 7 der achtervleugels verwijderd, 3 en 4 der voorvleugels mede ver uit een, 7—10 gesteeld, 11 door 12 doorsneden.

Het exemplaar is op 7 Mei 1871 te Bogota gevangen.

Deze soort is blijkbaar verwant aan Azelina latrata Guenée, doch ik vind op verschillende punten onderscheid; zoo ont- breekt b. v. op de bovenzijde der voorvleugels de lichte vlek, waarop de middenstip staat, op hunne onderzijde de groote, bijna zwarte, vlek bij den binnenrand, en zegt Guenée niets van de zoo in het vog loopende witte vlekken op de pooten.

24 Caninata Guenée. PI. 2, fig. 4.

Een gaaf mannetje van 42 mm. vlugt, en dus iets kleiner dan de voorwerpen van Guenée. Zijne beschrijving past overigens goed; ik merk nog op dat de voorrand der voorvleugels lichter is en hunne punt stomp; de achter- randshelft der achtervleugels is donkerder dan de wortel- helft, doch zonder groene inmenging. Overal hebben de dwarsaders eene zwarte middenstip. Onder ziet men meer groen, zijn de voorvleugels in cel 1 en 2 bleek paarsgrijs, de witte vlek op den achterrand is wortelwaarts zwart afgezet en de achtervleugels hebben sporen van eene don- kerbruine middenstreep, benevens verstrooide bruine stippen op den bleek paarsgrijzen binnenrand. Franje donkerbruin geteekend. Sprieten draadvormig. Ader 6 en 7 der ach- tervleugels en 3 en 4 van beiden verwijderd van elkander, doch digter bijeen dan bij Nolckeniata, 7—12 als daar. Pooten grijs, bruin en zwart gevlekt, gewoon gevormd en gespoord.

Geene aanduiding van vindplaats.

ST. THOMAS EN JAMAICA. 31

Genus Ononrorera Steph. 25 Bistomaria m. nov. sp., Pl. 2, fig. 5.

Frons tumida, abdomen cristatum: alae anteriores flavescenti- brunneae, areis basali, media et posteriori nigrofuscis, macula apicali alba, posteriores canae, fusco variegatae; omnes sublus albo, fusco mgroque marmoratae.

Een gaaf wijfje van 46 mm. vlugt.

Deze merkwaardige vlinder verschilt van Bidentata door de vleugeladeren (7—10 der voorvleugels komen uit eene gesteelde aanhangcel) door de gelijkmatiger getande smal- lere voorvleugels, door het uitpuilende voorhoofd